Kiezerslijst BC 1918 Het oude kerkhof BC 2011 2010 De kerkboeken van Wesuwe Genealogie Rootsweb Worldconnect 'All in the family' Werkstuk JB Berens Hebelermeer Nieuwsarchief Regionale geschiedenis Het oude kerkhof BC foto's data Plattegronden 1930 JB Berens 1865 van Holthe tot Echten Krantenknipsels Emmer-Courant 1911 1913 1914 1915 1916 1917 1918 Das Moorbuch JB Berens Barger-Compascuum E-boek gratis download PDF 7MB Boek bestelformulier versie 4 2012 Errata Gratis download 490Kb PDF Doelstelling Streekroman Sleutelroman Uitgeverij Slothouwer Biografie Wikipedia EG van Bolhuis Rond het jaar Het gezin van Herman Reuvers Hooghoeve De rechtmatigen Het gevloekte land |
Barger-Compascuum J.B. Berens Barger-Compascuum J.B. Berens Versie 3 2010 Versie 2 2009 Versie 1 2001 Contactpersoon Pauline Berens Some Rights Reserved Copyrights Creative Commons Naamsvermelding-Niet-commercieel-Gelijk delen 3.0 Unported OMSLAGFOTO S Figuur Boven schoolfoto 1893 Figuur Linksonder O.L. school (1933) Figuur Middenonder N.H. kerk Figuur Rechtsonder R.K. school (1929) en kerk (1923) INHOUDSOPGAVEVOORWOORD VERSIE 3 2010Het werkstuk wordt steeds mooier en completer doordat u als
lezer foto's aanlevert van mensen die er in beschreven zijn,
waarvoor hartelijk dank. Van de 116 huishoudingen die opgenomen
zijn in de lijst van eerste bewoners bevat versie 3 inmiddels
totaal 20 foto's! Meer foto's zijn van harte welkom. Foto's
kunnen eerst opgenomen worden in de internetversie en later in de
volgende papieren versie. Zoals u ziet wordt u als bron vermeld.
Foto's zonder bronvermelding stammen uit m'n eigen fotoalbum. Een
apart hoofdstuk is gewijd aan het oude kerkhof. Nieuw is ook het
hoofdstuk over hoe het gemeentebestuur 2de helft 19de eeuw dacht
over de ontwikkeling van het dorp. Versie 3 bevat 3 extra
schoolfoto's, uit 1902, 1923 en 1924, die samen met de schoolfoto
uit 1893 op de voorpagina en de 4 schoolfoto's uit 1914 een
aardig beeld geven van de schoolgaande jeugd in de eerste 50 jaar
van het dorp. VOORWOORD VERSIE 2 2009Aan het werkstuk zijn foto's toegevoegd, informatie over de auteur, een lijst met figuren, een lijst met internetadressen en andere bronnen. Hier en daar zijn kleine verbeteringen doorgevoerd in de gezinssamenstelling van de beschreven huishoudingen. Oud, maar nieuw in dit werkstuk, zijn de schoolfoto uit 1893 op de omslag, met bijbehorend Wie is wie op de schoolfoto op pagina ii. Aan hoofdstuk OVER SCHOLEN IN B.C. zijn 4 schoolfoto 's uit 1914 toegevoegd, waarop veel kinderen te zien zijn die later de voorouders werden van de huidige Compascumers. Waar mogelijk zijn hyperlinks aangebracht naar het genealogieproject All in the family op internet. Voor de pré-internetgeneratie: hyperlinks zijn verwijzingen, koppelingen tussen twee plaatsen op internet. Ze worden onderstreept getoond in het werkstuk. Als men het werkstuk op de computer bekijkt kan men via zo'n koppeling naar meer informatie over die persoon op internet gaan. De foto's op voor- en achterkant in versie 1 zijn verplaatst in versie 2 naar respectievelijk De molen van Eilering en het bos van Wilken op pagina 150 en Dam (1970) met verkeerslichten op pagina 157. J.B. Berens
VOORWOORD VERSIE 1 2001Het werkstuk dat voor u ligt is een poging om de geschiedenis van B.C. in kaart te brengen, zonder teveel te overlappen met bestaande bronnen. Compas is begonnen rond 1860 met de grondverkoop aan vier nieuwe eigenaren, die boekweitverbouw wilden starten. Na 40 jaar begon de vervening, die duurde van ongeveer 1900 tot 1950. Speciale aandacht is geschonken aan de tijd rond 1870, toen de eerste bewoners hier een bestaan probeerden op te bouwen. Nazaten van die mensen wonen nog steeds in het dorp. Naast informatie over de eerste bewoners, vindt u de ontwikkelingen op onderwijsgebied en informatie over de verschillende kerkelijke gezindten in ons dorp. Voor de tot standkoming van dit werkstuk is onderzoek verricht in archieven van met name Assen, Emmen en Duitse dorpen waar de eerste bewoners vandaan kwamen. Ook op onderzoeksgebied heeft de tijd niet stilgestaan; sinds kort is een kopie van het archief voor familieonderzoek uit Osnabrück beschikbaar in Meppen. De omslagfoto geeft een impressie van BC rond 1930. De foto is genomen ten westen van de Runde met het zicht op de molen van Eilering en het bos van J.B. Wilken. De achterkant van het werkstuk laat de moderne tijd zien; het centrum van het huidige BC met verkeerslichten in 1995. Ik wens een ieder veel plezier met het doorlezen van dit werkstuk. J.B. Berens
OVER BARGER-COMPASCUUM (B.C.) IN HET ALGEMEENWat oppervlakte aangaat is het B.C. van nu een product van de herindeling van de gemeente Emmen in 1938. Om administratieve redenen kwam er toen een nieuwe indeling waarbij enkele dorpen en gehuchten verdwenen. Ook B.C. zou verdeeld worden tussen de naburige dorpen. Dankzij het pleiten van wethouder Sibon en het raadslid Reuvers dat ons dorp om historische redenen moest blijven bestaan is er toen anders beslist. Het dorp bleef bestaan maar het verloor een strook in het noorden aan Emmercompascuum en in het zuiden aan Zwartemeer. Ten westen van de Runde kwam het grootste deel van Klazienaveen-Noord erbij. Het oorspronkelijke Compascuum van de Bargermarke grensde ten noorden aan de Emmer marke (Verlengde Groenedijk), ten westen aan de Runde, ten zuiden aan het Zwartemeer (later aan de Verlengde Hoogeveensevaart) en ten oosten aan de Duitse grens. Het tuinbouwcentrum Klazienaveen breidt uit en komt op grond dat als B.C. teboek staat. Om het geheel bijeen te houden als glastuinbouwgebied Klazienaveen heeft het gemeentebestuur deze uitbreiding bij Klazienaveen ingedeeld. Er staat nu weer een uitbreiding op stapel ten oosten van de Runde, dus in het echte Compascuum. Misschien hoort dat deel straks ook tot Klazienaveen. De bewoning begon hier nadat in 1860 het Compascuum verkocht was. Van Holthe tot Echten schrijft in zijn boekje De gemeente Emmen: Evenals in 1788 de Munstersche Regering had gedaan, stichtten zij (de nieuwe eigenaren) een kleine colonie in de onmiddellijke nabijheid van het Compascuum. Hiermee is de bewoning bedoeld in het noorden van B.C. (het Voor-Compas) en de Maatschappij. In de Maatschappij, later Berkenrode genoemd, vestigden zij zich op het Smeulveen van de Drentse Veen- en Middenkanaal Maatschappij, die het later verkochten aan W.A. Scholten. Evenals dat met andere nieuwe dorpen het geval was, heeft het jaren geduurd voordat het hier de vaste naam B.C. had. Hoewel de naam Compascuum al heel lang bekend was en b.v. geregeld te vinden is in notarisakten, is die naam de eerste 10 jaar niet te vinden in het Bevolkingsregister van Emmen. Daar gaven de bewoners van hier Rundeveen als woonplaats op. Ook de bewoners van de Maatschappij gaven die naam op. Eerst in 1871 leest men in de Burgerlijke Stand de naam Compascuum, maar het duurde nog enkele jaren voordat dit gewoon werd. In 1872 gaf een bewoner van de Maatschappij als woonplaats Smeulveen op. Maar het duurde jaren voor die naam algemeen werd. Later was het daar Klazienaveen Noord. Hier begon men eerst in 1890 B.C. te schrijven, ook die naam werd eerst jaren later algemeen gebruikt. De bewoning van Zwartemeer begon in 1873. Als plaatsnaam gaven ze eerst op Compascuum, later meestal Barger Oosterveen. Veel later werd de naam Zwartemeer officieel. Het gemeentebestuur van Emmen zag weinig toekomst in een boekweitkolonie. De verbouw van boekweit zou een aflopende zaak zijn en men voorzag daarna armoede. En omdat het hier een afgelegen deel van het veencomplex betrof zou de vervening nog lang op zich laten wachten. Omdat het hier om toegelaten vreemdelingen ging, zouden ze in het geval dat die mensen ondersteuning behoefden niet kunnen terugvallen op de gemeenten van herkomst. Dat terugvallen kon wel voor de Hollanders die naar hier gekomen waren. Deze mening van het gemeentebestuur was oorzaak van de vertraging bij het stichten van de school. Toen het stichten van een R.K. kerk ter sprake kwam schreven B. en W. hun gedachten naar de Commissaris in Assen : De leden der nieuwe parochie wonen bijna allen in hutten op het Smeulveen en onregelmatig verspreid op het B.C. onder hen is er bijna geen enkele die enige belasting kan betalen, zij zijn oorzaak van toeneming der lasten reeds nu (1873) neemt de welvaart al af en hebben de meesten een sober bestaan De op richting van een kerk zou de toeloop van arme vreemdelingen naar hier nog bevorderen, zie hoofdstuk HOE HET GEMEENTEBESTUUR VAN EMMEN DACHT OVER DE TOEKOMST VAN COMPASCUUM. Toen er in 1883 vanuit B.C. geklaagd werd over de slechte toestand van wegen, Rundebruggen en afwatering, raadden B. en W. de Ged. Staten aan er bij de eigenaren van het Compas cuum op aan te dringen hierin verbetering aan te brengen. Verbeteringen, in hun grondgebied, waarop zij de vreemdelingen-kolonie hebben gesticht, natuurlijk met het doel er opbrengsten van te trekken. B. en W. verwachtten veel welvaart van de vervening en zij wisten dat B.C. daar nog lang niet aan toe was, vandaar hun sombere gedachten. Achteraf bekeken heeft het gemeentebestuur de toekomst van Compascuum te donker ingezien. Wel is hier als de boekweitoogst tegenviel vaak armoe geleden. Maar het waren hier meest hardwerkende, sober levende mensen. Er is een groot verloop geweest onder de bevolking, sommigen keerden terug naar Duitsland, anderen verhuisden naar Bargeroosterveld of emigreerden naar Amerika. Maar de opengevallen plaatsen werden geregeld weer aangevuld. Nakomelingen van de pioniers werkten vaak in Duitsland, b.v. bij het graven van het Süd-Nord Kanal. Sommigen dienden daar al jong bij een boer. Ook de mening van Emmen dat deze bevolking ongeschikt zou zijn voor veenarbeid was niet juist. Veel nakomelingen werkten later in de veenderij. De hoge verwachting die het gemeentebestuur toen had van de vervening werd niet altijd werkelijkheid. Er zijn tijden geweest dat het niet goed ging. Vooral in de periode 1920-1940, toen de turfprijzen daalden tot beneden de kostprijs kwam hier grote werkeloosheid, met alle gevolgen van dien. Velen zochten toen hun heil elders, vooral in Twente, Eindhoven en Lim burg. WAAR NU BARGER-COMPASCUUM LIGTWat later B.C. heette was vroeger een klein onderdeel van het 100.000 ha grote Bourtangermoeras. Het lag er ongeveer middenin. Een vaste grens met Duitsland was hier niet, het was eigenlijk niemandsland. In dit gebied lagen twee meertjes, het Zwartemeer en het Hebelermeer. Het Zwartemeer had enige afwatering door de Runde die het water naar het noorden afvoerde en er was een verbinding met het Hebelermeer dat weer afwaterde via Dankern (Hebel) naar de Eems. Voor de Republiek der Zeven Provinciën was het een goede verdedigingslinie en met kunstmatige middelen zorgden ze daarom dat het hier nat bleef. Vastleggen van een grens zou hier ook moeilijk geweest zijn. Toen er in 1764 eindelijk de grens werd vastgesteld, kon in de afstand tussen waar nu Hebelermeer en Twist liggen, geen grensstenen worden geplaatst omdat het te moerassig was. Zoals toen gebruikelijk rekenden de boeren van Noord- en Zuidbarge dit gebied tot hun marke. Als het 's zomers droog genoeg was weidden ze hier hun vee aan de Runde en langs het Zwarte- en Hebelermeer en werd er zelfs gehooid. Maar evenzo deden dat de boeren van Wesuwe en Altharen. Het woord compascuum voor dit gebied stamt uit die tijd. Het woord komt uit het Latijn. Vrij vertaald betekent het jus de compascui, recht van samenweiden. Zo 'n compascuum hadden niet alleen de Bargerboeren, ook Emmen en Schoonebeek (in de buurt van het latere Twist) hadden een compascuum. Van deze grond moest wel belasting betaald worden. Er is een bezwaarschrift bekend dat de boeren van Emmen indienden bij de Drost van Drenthe tegen die belasting. Ze voerden aan dat het hier om een seer vuill vene ging, waar lang niet ieder jaar geweid en gehooid kon worden. Ze kregen toen vermindering van die belasting. Uit de tijd dat van hier de eerste schriftelijke berichten komen, heeft Anton Dijck in het Rijks archief te Assen verschillende stukken gevonden. Enkelen volgen hier, verkort. Zo is er een geval van grondverkoop bekend uit de 17de eeuw. Op 27-3-1648 verkochten de Bargerboeren een stuk grond gelegen bij het Zwartemeer, bij Oevermansland. Kopers waren 2 boeren, de schulte en de predikant, vermoedelijk allen van Emmen. Het werd verkocht om een landmeter te kunnen betalen die voor hen gemeten had. Waarschijnlijk is die verkoop later weer ongedaan gemaakt. Toen het gerucht ging dat Duitsers bij het beekje dat liep tussen het Zwarte- en Hebelermeer bezig waren geweest, werd in 1717 van hogerhand Ing. De la Rive er op afgestuurd. In zijn rapport staat dat het beekje vergraven en verdiept was, ook was er een stuw in aangebracht. De heer Martels van Dankern had dat laten doen om het Hebelermeer van meer water te voor zien. Vanuit dat meer liep een stroompje waardoor in Hebel de 2 watermolens van Martels konden draaien. Het beekje dat toen gekanaliseerd was werd later het Martelsdiep of Martelsdiepje of gewoon Beek genoemd. Het is lang de grens geweest tussen B.C. en Barger Oosterveen (Zwartemeer). Er werd wel eens gesproken over een vaste landsgrens. Om hun aanspraken hierop kracht bij te zetten werden van Hollandse zijde in 1718 een aantal boeren opgeroepen, 13 oude mannen uit Noord- en Zuidbarge en 10 uit Roswinkel. Zij verklaarden onder ede dat aan weerszijden van de Runde en bij het Zwartemeer hun groenlanden lagen waar ze vanouds hun vee hadden geweid en gehooid, zonder ooit door iemand te zijn gehinderd. Bij het Zwartemeer hadden ze wel eens een hut gebouwd voor hun beestenhoeder. Nu stond de hut aan de Angelse Stranck (vermoedelijk een zijriviertje van de Runde of het Zwartemeer). De tegenpartij, de boeren van Wesuwe en Altharen, hielden ook zo 'n zitting en verklaarden ongeveer hetzelfde. Volgens hen moest de Runde de grens worden. In 1764 kwam er eindelijk een grensverdrag tot stand. De grens werd vastgesteld zoals hij ook nu nog geldt. In 1784 werd dit verdrag nog eens vernieuwd en daarbij werd ook vastgelegd dat de Duitse boeren hun vee mochten weiden in de Compascuums. Er was wel de beperking dat niet geweid mocht worden op aangelegde of nog aan te leggen boekweitakkers. Die akkers moesten wel 100 roeden (430 m.) van de grens verwijderd zijn. Dat weiderecht had tot 1788 niet veel moeilijkheden gegeven omdat de boeren van Wesuwe en Altharen ongeveer 10 km van de grens woonden. Het werd anders toen in 1788 de bovenveendorpen Schwartenberg en Hebelermeer werden gesticht. Aan de bewoners van die dorpen werd het weiderecht in de Compascuums toegezegd zonder dat er gesproken werd van de beperking van de boekweitakkers. Dat heeft aanleiding gegeven tot veel ruzies tussen de partijen. Tussen de markegenoten van Emmen en Westenesch en de boeren van Schwartenberg kwam in 1817 een overeenkomst tot stand. De Schwartenbergers mochten daarbij hun vee weiden op het noordoostelijk deel, dat was 3/10 van het Emmercompascuum. Zo n over eenkomst kwam er niet met de Bargerboeren. De ruzies tussen de Bargerboeren en de Duitsers duurden voort. Een paar keer werden Duitse schapen in beslag genomen en naar Noordbarge gevoerd. Van hogerhand werden vermaningen uitgedeeld en de schapen moesten weer vrijgegeven worden. En daar bleef het bij. Het doet vreemd aan dat er in dezelfde tijd ook een heel ander contact was tussen de beide partijen. Dit blijkt wel uit het kasboek van de Bargermarke, dat begint in 1832. Van het begin af staan er bedragen in die zij ontvingen van boeren van Hebelermeer en Schwartenberg voor huur (pacht) van boekweitgrond. Tot die grond behoorden zeker ook percelen in hun compascuum. Ze schrijven dan boven de Runde, of bij het Hebelermeer. Zo'n verhuring werd aangekondigd door kerkespraak, b.v. 8 Maart 1838 - voor kerkespraak op den Zwartenberg, ƒ0,15. Soms leest men van boerwerken, ook bij de Runde. Dat zal wel het verbeteren van een weg of sloot geweest zijn. Er werd nogal een flinke borrel bij gedronken. De jenever (Jan Ever) werd gehaald bij Thole of Cramer van Hebelermeer of van Tholen van Schwartenberg. Maar niet altijd was de verhouding zo gemoedelijk. Hermann Gröninger, boer te Lindloh en Heimatschriftsteller, schreef het volgende; In 1839 probeerden de Bargerboeren boekweitakkers te verhuren en een afwateringsloot van 5 voet breedte aan te leggen. Op de bezwaren van de Schwartenbergers dat daardoor hun weiderecht werd aangetast, antwoordden ze; niet de kleinste hoek zullen jullie houden. Nu en dan schreef de burgemeester van Emmen aan de Commissaris in Assen, soms ook aan de Hofrat Germes te Meppen. Het ging dan over de conflicten tussen de Bargerboeren en de Duitsers. Met geen ander resultaat dat dan van beide zijden weer vermaningen werden uitge deeld. In 1857 werd toch blijkbaar een mogelijke afscheiding van grond aan de Duitsers overwogen. De burgemeester schreef aan de Commissaris hoe het hier uitzag; het is veengrond, ongeveer voor deel uitgeboekweit, terwijl het overige deel nog niet beboekweit is. De veendikte is 4 tot 6 meter, dus gemiddeld 5 meter. En zo zijn de ruzies, maar ook het verhuren van boekweitgrond op de droogste plekken, door gegaan tot 1860 toen het Compascuum verkocht werd. DE MARKE VAN NOORD_ EN ZUIDBARGEVan oudsher rekenden de Drentse zanddorpen het gebied buiten hun dorp tot hun gemeenschappelijk bezit, het behoorde tot hun Marke. In een dunbevolkt en waar het veen betrof onbewoond gebied, kon dat zonder bezwaar. Evenzo gebeurde het in de Duitse zanddorpen aan de overkant. Vermoedelijk ontstonden de marken in de middeleeuwen. De Bargermarke, waarvan het Compascuum maar een klein deel uitmaakte, was verreweg de grootste van Drenthe. Nadat in 1845 een regeling tot stand kwam met de boeren van Schoonebeek over een omstreden gebied, werd er aan de Bargermarke nogeens 2000 ha toe gevoegd. De totale grootte werd toen 15050 ha. Tweede grootste marke van Drenthe had Valthe met 4211 ha. Het grootste deel van de marke was moerassig hoogveen. Waar het mogelijk was werd het benut voor veeweide, boekweitverbouw, plaggensteken en turfgraven voor eigen gebruik. De oostelijke grens van de marke was de rijksgrens met Duitsland. Het heeft tot 1764 geduurd voor die grens werd vastgesteld, eerder was het hier niemandsland. Daar werd, voor zover het door moerassigheid niet onmogelijk was, door Drentse en Emslandse boeren met hun vee geweid. In de 19de eeuw kwam men langzamerhand tot het inzicht dat het beter zou zijn de marken die men gemeenschappelijk benutte, te verdelen onder de eigenaren. Dat zou de vooruitgang ten goede komen. Ook van overheidswege werd sterk aangedrongen op markescheiding. Er was verschil tussen in hoofdzaak zandmarken en marken die grotendeels uit hoogveen bestonden. Gescheiden zandgrond kon direct door de eigenaren in gebruik worden genomen, veen dat rijp was voor vervening zou in handen komen van verveners. Want de Drentse boer was van nature geen vervener, tevens was er voor het aan de snee brengen van veen veel kapitaal nodig. Tegen het midden van de 19de eeuw raakten de oudere verveningen uitgeput en was zuidoost Drenthe aan de beurt. Ook de markegerechtigden van de Bargermarke waren toen bereid grote stukken van hun veengebied te verkopen aan maatschappijen die kanalen naar hier zouden brengen voor de vervening. De verkoop in 1846 aan een meneer van Runen die optrad voor een Engelse maatschappij mislukte. In 1850 sloten ze een overeenkomst met de Drentse Kanaal Maatschappij. Deze Mij. nam op zich de Hoogeveense Vaart te verlengen tot de Bargermarke en daarna dit kanaal tot de Duitse grens te brengen. De eerste directeur van deze Mij. werd Jhr. Mr. A.W. van Holthe tot Echten. Hij zou later ook een belangrijke rol spelen in de begintijd van B.C. De Kanaal Mij. kreeg hiervoor 200 Maria grond aan het kanaal in eigendom voor de prijs van 100 per ha. In het zelfde jaar verkochten de Bargerboeren een strook grond in het zuiden van hun marke, tot de Duitse grens, groot 2256 ha, voor ƒ120.000. Koper was de Drentsche Landontginnings Maatschappij. Deelnemers ervan waren 6 heren uit Amsterdam, vandaar de namen Nieuw-Amsterdam en Amsterdamscheveld. Aan de Drentsche Veen- en Middenkanaal Maatschappij verkochten zij in 1853 twee blokken veengrond. Het ene blok, groot 528 ha, nu Oranjedorp en het Smeulveen, 972 ha groot, het latere Klazienaveen Noord. Tevens werd aan deze Mij. toen de strook grond verkocht die lag tussen de beide blokken, nu de Heerenstreek. De koopprijs van alles was 30 per ha, met de verplichting er een kanaal naar toe te brengen. Dat werd het Oranjekanaal. Al gauw zagen ze in dat het te kostbaar werd om een kanaal door te trekken naar het Smeulveen vanwege het waterpeil. Ze verkochten het in 1874 aan W.A. Scholten voor ƒ228.569. In de volgende jaren verdeelden de markegerechtigden nu en dan grote stukken grond onder elkaar, de grond werd gescheiden. In 1854 werd Vastenow gescheiden. Dit blok, 234 ha groot, lag op een uitloper van de Hondsrug en was ongeschikt voor vervening. Het werd een deel van Nieuw-Dordrecht. De verkoop van het Compascuum in 1860 gebeurde waarschijnlijk omdat het een omstreden gebied betrof. Het Westerveen werd in 1861 gescheiden, in 1862 volgde het Oosterveld, tegelijk met het Hoogbultenveen en de Rietlanden. Daarna was in 1867 het grote Oosterveen aan de beurt. Tot dat Barger-Oosterveen behoorden het latere Zwartemeer en Klazienaveen, alsook de strook tussen het Smeulveen en de Runde. De totale oppervlakte was 3785 ha. Hiervan was 1610 ha ongerept veen, er was nog nooit boekweit op verbouwd, omdat het te nat was. Na de nodige ontwatering werd daar in 1873 begonnen met het verhuren van de grond en kwam de bewoning op gang. Met de verkoop van grote stukken grond en de verdeling van de andere grote blokken was de uitgestrekte marke binnen 20 jaar bijna totaal verdwenen. Opvallend is dat langzamerhand ook veel buitenstaanders door aankoop gerechtigd waren in de marke. Zo waren er in 1867 van de 800 aandelen (koeweiden) 250 in handen van vreemden, b.v. van Holthe tot Echten bezat toen 72 koeweiden. OUDHEIDKUNDIGE VONDSTENIn B.C. is weinig gevonden. Niets wijst er op dat hier voor de veenvorming mensen zijn geweest, uigezonderd een tijdelijk bezoek van rendierjagers aan de zandhoogte bij de molenwijk (Willem Albertsvaart). Daar zijn enkele sporen van menselijke aanwezig heid gevonden, hier was het veel te nat. Misschien is er wel eens een kleine vondst gedaan die door onachtzaamheid of er geen tijd voor hebben verloren is gegaan. De grote vondst werd hier in November 1952 gedaan door Thomas Duinkerken. Bij het afbonken werd door hem op plaats 32, zo'n 150 m. ten oosten van de Runde een geldbuidel ontdekt, met daarin 312 romeinse munten. Hij lag op de scheiding van grauwveen en zwart veen. De buidel was voor een deel vergaan. Een en ander kwam in bezit van het museum te Assen. De gerestaureerde buidel en de muntstukjes zijn er nu te bezichtigen. De munten zijn geslagen tussen 54 en 192 na Christus. Ze hadden in die tijd geen bijzonder grote waarde. Hoe het daar is terecht gekomen blijft gissen. Men zou kunnen denken aan het handelsgeld van een kleine handelaar. Misschien was hij onderweg van het ene zandgebied naar het andere en is hem hier iets ernstigs overkomen. Dat reizen moet dan wel gebeurd zijn in een erg droge tijd of in een flinke winter. De veenbrug van Nieuw-Dordrecht is het dichtstbijzijnde overblijfsel van activiteit van zo 'n 3000 a 4000 jaar terug. Deze veenbrug liep in de richting van de Runde en was geen aaneengesloten geheel, hij is alleen gelegd over de natste plekken. Bij de weg is ook een kapot wagenwiel gevonden uit die tijd. Er wordt wel gedacht dat deze veenbrug gediend heeft voor het vervoer van ijzeroer van de Runde naar Angelsloo. Daar is een primitieve ijzersmeltoven uit die tijd gevonden. In Bargeroosterveld werd in 1957 de resten van een houten tempeltje blootgelegd op de scheiding van zand en veen. Daar zijn ook voorwerpen gevonden waaronder een bronzen dolk van duizenden jaren terug. Dan is er nog het houten voetpad dat men vindt in Emmercompascuum - Emmer-Erfscheidenveen. Het pad liep van de Hondsrug (Emmerschans) naar de zandhoogten van Schwartenberg en Lindloh. Het pad was één brede plank breed en moet aangelegd zijn ver voor de jaar telling. DE VERKOOP VAN HET COMPASCUUMVolgens Hermann Gröninger hadden de Bargerboeren hun Compascuum rond 1860 aan de Schwartenbergers te koop aangeboden voor ƒ90.000. Terwijl de boeren van Schwartenberg in een vergadering besloten hadden de koop aan te gaan, het geld ervoor was hun al toegezegd, werd het verkocht aan Hollandse gegadigden. Ook van Holthe tot Echten schrijft, in verband met hun aankoop van het Compascuum, dat wanneer zij het niet gekocht hadden het in handen gevallen was van Hannoversche gading makenden. Bij akte van 19-3-1860, opgemaakt door notaris Heppener te Borger, werd het Compascuum van de marke van Noord- en Zuidbarge verkocht voor ƒ85.000 plus kosten. Het werd gezamenlijk gekocht door vier heren. Dat waren: Mr. Cornelis Hiddingh, wethouder te Assen, gerechtigd voor 1/4, Mr. Lucas Oldenhuis Tonckens, burgemeester te Emmen, voor 1/4, Harmannus Folkerus Gosselaar, zonder beroep te Assen, voor 1/4 en Jhr. Mr. Anne Willem van Holthe tot Echten, advocaat en notaris te Assen, voor 132/800 en een combinatie van andere van Holthe tot Echtens, Carstens, Bruis Slots en Mevr. van der Wijck-de Vos van Steenwijk, samen gerechtigd voor 68/800. Naast hun andere functies waren de vier eerstgenoemden grootgrondbezitters en verveners in oudere veenkolonies en ondernemende mensen. Van Holthe tot Echten, ook directeur van de Drentsche Kanaal Mij., was de meest op de voorgrond tredende. Hij schreef ook in 1862 het boekje De Gemeente Emmen, waarin hij naast de geschiedenis van dit gebied, de oorzaken en toedracht van de crisis van 1861 beschreef. De toekomst van Emmen zag hij vooral in de komst van kanalen en daarmee de vervening. De grootte van het Compascuum was niet nauwkeurig bekend, het werd geschat op 1700 ha. Wanneer bij opmeting de oppervlakte meer of minder zou blijken te zijn, zou dat tot voor- of nadeel zijn van de kopers. Het Compascuum grensde ten noorden aan de marke van Emmen en Westenesch, ten oosten aan het Koninkrijk Hannover, ten zuiden aan het Zwartemeer en ten westen aan de Runde. Onder de voorwaarden staat o.m. dat het verkochte overging met alle bezwaren, waaronder een regt van zamenweide, hetwelk eenige Hannoversche gemeenten op gemeld perceel beweren te bezitten. De verkopers verklaarden dat van het verkochte geen bewijzen van herkomst waren. Om hier iets te kunnen beginnen moest er een goede afwatering komen. Dat kon alleen gebeuren door de Runde te kanaliseren en te verdiepen. De Runde (de Duitsers zeiden de Aa) kronkelde teveel en was te ondiep. Van Holthe tot Echten schreef dat de Runde tussen het Zwartemeer en de weg naar Hebelermeer nauwelijks zichtbaar was. De nieuwe eigenaren lieten de grond opmeten. Het bleek in totaal 1786.53.20 ha groot te zijn, een meevaller dus. Er werden kavels (plaatsen) uitgemeten van 100 m. breedte, de lengte werd bepaald door de Runde. Twee van dergelijke plaatsen kregen één nummer, te beginnen met 11. Een overzichtskaart van deze plaatsen is te zien na pagina 14. Er werd gemeten vanaf het noorden, op de kleine strook na waarop de Oranjekanaal Mij. rechten had. Zo mat men door naar plaats nr. 43, in de buurt van het Zwartemeer. Er werd een weg ontworpen, richting noord-zuid. Deze weg liep in de buurt van de oude Heerendijk. In de eerste huurkontrakten werd voor die nieuwe weg soms de naam Heerendijk nog gebruikt. Aan deze weg woonden de eerste bewoners. Later werd die weg soms Schoolweg genoemd. Met de vervening is de weg verdwenen. Om de grond geschikt te maken voor boekweitverbouw werden een aantal arbeiders aangetrokken. Enkelen kwamen uit Smilde waar de eigenaren ook veenderijen hadden. Ze werden gehuisvest in een tiental keten in het noorden van Compascuum, het Voor-Compas. Er moest veel gebeuren: de Runde kanaliseren en verdiepen, veel sloten gegraven en veenwegen aangelegd. Het scheen eerst dat de eigenaren van plan waren om hier zelf de boekweitteelt ter hand te nemen. Maar waarschijnlijker is dat ze wilden uitproberen hoever ze konden gaan tegenover de Duitsers die hier hun weiderechten hadden. Onder leiding van Gosselaar, een der eigenaren, werd het werk flink aangepakt. Naast het kanaliseren van de Runde werden sloten gegraven, greppels aangelegd en veen gehakt. Gröninger schrijft dat er soms 300-400 mensen aan het werk geweest zijn omdat Von Goslar best betaalde verlieten boeren, handwerkers en kooplui, ja sogar Juden hun werk en gingen hier veen hakken Gosselaar zou ongeveer ƒ30.000 voor dat werk hebben uitgegeven. Van Holthe tot Echten schrijft dat bij dat werk wel de vereiste 100 roeden in acht genomen werd. Dat was de afstand van de grens waarbinnen geen boekweitakkers mochten worden aangelegd volgens het grenstractaat van 1784. Met de grootscheepse aanpak van de nieuwe eigenaren kwam het weiderecht-conflict tot uit barsting. Ook de volmachten van de oorspronkelijke rechthebbenden, Altharen, Niederlangen en Wesuwe mengden zich erin. Volgens Gröninger werd direct de gerechtelijke weg bewandeld om tegen zulk eigenmachtig optreden de nodige rechtsbijstand te hebben. Maar zij traden ook handelend op en kwamen een paar keer in groten getale naar hier om sloten en greppels weer dicht te werpen. Van Nederlandse kant werd gesproken van 130-140 Duitsers die hier twee maal kwamen om de boel te vernielen, de laatste keer op 29 Mei 1861. De politie kon tegen deze overmacht niets uitrichten, maar maakte procesverbaal op tegen 11 van hen wegens vernieling. In Augustus 1861 werden ze door de Rechtbank te Assen veroordeeld, de 2 aanvoerders (uit Niederlangen en Altharen) tot een jaar gevangenisstraf, de negen anderen tot 3 maanden. Ze werden bij verstek veroordeeld en het lukte niet om ook maar één van hen gevangen te nemen. Zeven van hen gingen in hoger beroep, maar ze behielden hun straf. Men verschilde van mening over de uitleg van het grenstractaat van 1784. Maar het werd een onhoudbare toestand. De burgemeester drong aan op onderhandelingen. In de Tweede Kamer werden vragen gesteld. De Minister antwoordde dat de zaak op internationaal niveau geregeld zou worden. Hij kondigde de status quo af voor dit gebied. Een kudde Duitse schapen die een paar dagen eerder waren opgebracht naar Emmen werd toen teruggegeven. Op 16-8-1861 begonnen de onderhandelingen, ze duurden tot 7-9-1862. Het voornaamste resultaat was dat 4/15 van het Compascuum aan de Hannoveranen werd afgestaan als afkoop van hun weiderechten. Zij kregen dat in eigendom, de grootte was 452 ha. Het werd de 678 m. brede strook aan de grens, lengte 6500 meter. Het stond later bekend als het Zwartenberger- en Hebelermeerse Compascuum. Andere bepalingen waren; die strook werd van het Compascuum gescheiden door een brede sloot, 2 meter breed en 1 m. diep. Die sloot staat nog als Breede Sloot bekend. Verder kregen de Duitsers de beschikking over een 100 m. brede strook langs het aan hun afgestane deel, dat ze 10 jaar lang mochten bebouwen. Wanneer men met een kanaal gevorderd zou zijn tot het Compascuum, moest er binnen 300 m. van het afgestane deel een kanaal worden gegraven. Dat kanaal moest binnen 20 jaar voor 2/3 gereed zijn. Gebeurde dat niet dan was er de sanctie dat de 100 m. strook eigendom werd van de Duitsers. Deze stok achter de deur had later tot gevolg dat Hoofdwijk III eerder gereed was dan het Oosterdiep. Het Martelsdiep moest op dezelfde breedte en diepte blijven. Er moesten twee wegen worden aangelegd, één langs de Emmermarke, richting Emmen (Verlengde Groenedijk), de andere liep van Hebelermeer richting Nieuw Dordrecht. Deze weg kwam te liggen op plaats 40 en is later vervallen. Van het afgestane gedeelte kregen de boeren van Schwartenberg de noordelijke helft, die van Hebelermeer de zuidelijke helft De Duitse veroordeelden kregen gratie van Koning Willem III. Tegelijk met deze overeenkomst werd ook het Emmercompascuum gescheiden. Ook daar kregen de Duitsers (Schwartenbergers) 4/15 deel van de grond. Met deze overeenkomst hadden de eigenaren een flinke aderlating ondergaan, maar ze konden nu ongehinderd doorgaan met hun ontginning en verhuur van boekweitgrond. COMPASCUUM NA 1862Er werd zo gauw mogelijk begonnen met het verhuren (verpachten) van de grond voor boekweitverbouw. Het was de enige manier om inkomsten te hebben van hun aankoop, de vervening zou nog lang op zich laten wachten. Het eerste huurcontract is van 8-4-1862. Er werden toen 53 perceeltjes (grootte onbekend, vermoedelijk 1 ha) verhuurd op de derde garve, de verhuurders kregen 1/3 van de opbrengst. De meeste huurders waren Duitse boeren. Deze verhuring is maar gedeeltelijk doorgegaan, vermoedelijk door de onderhandelingen. Er werd een andere regeling getroffen want in de herfst van 1863 verkocht Gosselaar de enige 22 akkers boekweit die er verbouwd was op die percelen. Er werd later niet weer op de derde garve verpacht. H.F.Gosselaar, dan grondeigenaar en vervener te Emmen, verkocht zijn aandeel in het Compascuum aan Mr. Jan Albert Willinge Gratama, procureur bij het Gerechtshof in Assen Dat gebeurde bij een onderhandse koopakte van 15-7-1863. Koopsom ƒ45.000. H.F. Gosselaar bleef wel beheerder hier, na de verkoop van zijn aandeel. In 1864 kwam er naast de verhuur van los boekweitland een nieuwigheid bij. Uit een contract van 4-6-1864; verhuurd werden toen percelen die lagen tussen de nieuwe weg en de Runde met de verplichting op dat perceel een woning te bouwen en te bewonen voor 1 Mei 1865. Er werd toen verhuurd: aan Hendricus Huussers, arbeider te Hebelermeer, 9,92 ha op plaats 33, pachtprijs ƒ992, aan Willem Feringa, arbeider te Adorf, 4.78 ha op plaats 32, pachtprijs ƒ478, aan Berend Hendrik Soelman, arbeider in Hebelermeer, 4.78 ha op plaats 32, voor ƒ478 en aan Berend Berends, arbeider te Lintloh, 7.40 ha op plaats 26, voor ƒ740. Er werd in dit geval verpacht voor 12 jaren, gewoonlijk was dat 10 jaar. Dit waren niet de eerste bewoners van hier, er woonden al enkelen waarvan geen huurcontract te vinden is. De voorwaarden van zo'n verhuring waren meestal; de huur moest binnen 4 jaar in gelijke termijnen betaald worden - de huurder moest akkers aanleggen op 10 meter breedte - de weg, sloten en de Runde bij het perceel moest de huurder onderhouden. De huurder mocht voor eigen gebruik turf graven op het perceel waar hij woonde. De verhuur van los boekweitland was al eerder begonnen. Vanaf 1865 plaatsten de eigenaren geregeld advertenties in de Ems- und Hase-Blätter van Meppen. Het ging over de verhuur van boekweitgrond. Die advertenties zullen hun geld wel opgeleverd hebben, hoe meer liefhebbers, hoe hoger de pachtprijs. Er werd dan verhuurd met percelen van 1 ha. De voornaamste voorwaarden waren gewoon lijk: er werd verhuurd voor 10 jaar, de pachtprijs moest in 4 jaar betaald zijn, er mocht niet vaker dan 6 keer gebrand worden, er moesten greppels gegraven worden op 10 m. afstand, voor nattere grond kon dat 8 of zelfs 6,2/3 m. zijn. De huurprijs voor die 10 jaar schommelde eerst tussen 100 en 150 per ha, later liep die prijs op, soms tot meer dan 200. Aan de verbouw van boekweit was veel risico verbonden. Naast goede opbrengsten waren er misoogsten. Door een natte periode kon het veen soms niet gebrand worden, door nachtvorst en slecht oogstweer kon de opbrengst erg tegenvallen. Figuur Boekweit op hoogveen, Pauline Berens Figuur Aardappels op dalgrond, Pauline Berens Bij het niet voldoen van de pacht verviel de oogst aan de verhuurder en zo waren er nog wel eens verkopingen van op stam staande boekweit wegens wanbetaling. Veenboekweitverbouw was roofbouw en vroeg daarom veel grond. Na enkele jaren boekweit verbouwd te hebben daalden de opbrengsten sterk. Wanneer de grond uitgeboekweit was bleef het zo 'n 25-30 jaar braak liggen. Alleen grond die dicht bij een woning lag werd dan benut voor andere gewassen als er voldoende stalmest was. Kunstmest was toen onbekend. De grond die verpacht was ging in verkoopwaarde sterk achteruit. Daar kon dan in 30 a 40 jaar geen inkomsten meer van komen, terwijl er wel lasten tegenover stonden. Een voorbeeld hiervan is het volgende. De gebroeders Cramer van Hebelermeer pachtten in 1866 plaats 36 van Gratama voor 20 jaar. De plaats was 35 ha groot, de pachtprijs was ƒ6.067,65 en moest binnen 4 jaar voldaan zijn. In 1873 kochtten ze diezelfde grond van Gratama voor 1.386. Dezelfde grond min 3 ha verkochten ze in 1904 aan dokter Prak uit Ter Apel voor 15.600. De vervening was toen op komst. Bij de kanalisatie van de Runde en het opnieuw vaststellen van de zuidgrens van het Compascuum waren de eigenaren tekort gekomen. De zuidgrens werd nu de toen al geprojecteerde Verlengde Hoogeveense Vaart en het Martelsdiepje. Als compensatie kregen ze van de Bargerboeren 23 ha grond, waarvan 8 ha aan de Runde (in de Emmermarke) en 15 ha bij de nieuwe zuidelijke grens. De akte is van 13-7-1866. In 1865 was er al sprake van verdeling van Compascuum tussen de eigenaren. Blijkbaar beviel het mandewerk niet langer. Er kwam een uitspraak van de Rechtbank van 3-4-1865 aan te pas waarin die verdeling bevolen werd. Mr. Hiddingh was het niet eens met de gang van zaken en ging in appèl. Daarmee werd voorlopig de verdeling en het opmaken van een plan van aanleg stop gezet. Tenslotte werden de eigenaren het eens, bij akte van 23-7-1866, over de verdeling onderling en over het plan van aanleg. Op deze verdeling is het 100-jarig bestaan gebaseerd dat in 1966 gevierd werd. Het plan van aanleg en de verdeling waren geregeld door de deskundigen H.F.Gosselaar en G.Lammerts van Emmen en Jan Rigterink, landmeter te Oosterhesselen. Men kwam bijeen te Assen. Er lag een kaart van het Compascuum waarop de kanalen en we gen waren geprojecteerd die er zouden komen voor de vervening. Ook de weg waaraan de eerste bewoners toen al woonden en die zou vervallen als de vervening dat noodzaakte. Op de kaart was Compascuum in vier kavels verdeeld, aangegeven met de kleuren geel, groen, wit en bruin. Iedere kavel was onderverdeeld in 11 percelen (plaatsen of gedeelten daarvan), die verspreid lagen over het hele Compascuum. Alles uitgezocht door de deskundigen, iedere kavel was 335 ha groot en was gewaardeerd op ƒ44.500. Door loting werd bepaald welk part men toegewezen kreeg. Gratama kreeg de geel gekleurde percelen, Hiddingh kreeg groen, Tonckens wit en van Holthe tot Echten en consorten kregen bruin. Figuur Plattegrond Barger-Compascuüm 1865, J.B. Berens HOE HET VERDER GING MET DE GRONDGratama verkocht in 1867 een ha grond aan het Gemeentebestuur voor ƒ200, waarop een jaar later de school werd gebouwd. In 1873 volgde de verkoop aan de gebroeders Cramer. In 1873 verkocht hij ook zijn overige grond, 295 ha, aan een consortium uit Deventer die daarvoor de Deventer Veen Maatschappij (D.V.M.) hadden opgericht. De koopsom was ƒ100.000, een hoge prijs voor die tijd. De D.V.M. is hier lang eigenaar gebleven, de laatste grond verkochten ze lang na de 2de wereldoorlog. De erfgenamen van Hiddingh verkochten hun grond in 1898. De voornaamste kopers waren de gebroeders Bosscher van Stadskanaal met 180 ha en de Firma Scholten met 68 ha. De koopprijs was ongeveer 200 per ha. De grond van Oldenhuis Tonckens kwam later door vererving in handen van een paar families Tonckens. Het is langzamerhand verkocht geworden. Een Tonckens van Valthermond is lang eigenaar geweest van de laatste 30 ha. De erven hebben het rond 1990 verkocht op één perceel na. Van Holthe tot Echten verkocht in 1867 aan J.B.Wilken 8 ha a 300 en in 1870 aan het R.K. kerkbestuur 11 ha voor diezelfde prijs. Langzamerhand heeft hij zijn andere grond verkocht. DE EERSTE BEWONERS VAN B.C. 1872Hier is geprobeerd van deze pioniers een lijst op te maken, zie pagina 23. Op pagina 22 vindt u dezelfde lijst, gesorteerd op naam. Het lijstje gaat tot de zomer van 1872, omdat toen pastoor Vroom van Erica een lijst opmaakte van de Katholieken die hier woonden. Dat gebeurde in verband met het stichten van een kerk. De lijst op pagina 25 is samengesteld uit gegevens van het Bevolkingsregister, de Burgerlijke Stand en uit pachtcontracten. Soms is gebruik gemaakt van doop-, trouw- en dodenboeken van naburige Duitse R.K. parochies. In enkele gevallen is een rechtbankverslag gebruikt. De volgorde is opgesteld naar de datum waarop de familie of persoon schriftelijk wordt genoemd als inwoner van Compascuum, of Rundeveen zoals het eerst genoemd werd. Het is dus niet de vestigingsdatum, die is niet te vinden. Nummer 1 op de lijst betekent bijvoorbeeld dat de betreffende mensen het éérst genoemd werden als inwoner van Compascuum in schriftelijke bronnen. De inschrijving in het Bevolkingsregister van Emmen is meestal te laat gebeurd. Soms werd een heel rijtje tegelijk ingeschreven, vermoedelijk was dan de veldwachter van Emmen op speurtocht geweest. Ook bij een volkstelling doken er weleens mensen op die niet eerder te boek stonden in Emmen. Lang niet alle nieuwelingen meldden zich daar. Deze lijst is niet volledig. Tijdelijk huisden hier weleens mensen, soms is er in Emmen nog een naam van te vinden. Het verloop onder deze pioniers is groot geweest. Vooral degenen die meer arbeider dan boekweitboer waren zijn vaak al gauw weer vertrokken. Daardoor staan er in dit lijstje nogal wat mensen die hier in 1872 al niet meer woonden. De bewoners van de Maatschappij zijn hier bij B.C. gerekend. Ze hebben er ook altijd maatschappelijk en kerkelijk bij gehoord. Tot 1872 gaven ze als woonplaats ook Rundeveen of Compascuum op. Daarna werd dat langzamerhand Smeulveen, later schreef men Klazienaveen Noord. Ook de mensen die zich later vestigden ten westen van de Runde in het Barger Oosterveen gaven nog lang Rundeveen of Compascuum als woonplaats op. Er is geprobeerd de lijst uit te werken door zoveel mogelijk gegevens van deze mensen en hun kinderen bijeen te brengen, zie pagina 25. Verklaring der tekens: Een * betekent geboortedatum, + datum van overlijden, x huwelijksdatum en --- onbekend. Soms staat de plaats van overlijden tussen ronde haken ( ). Dat houdt soms in dat de persoon in questie in die plaats is overleden, bijvoorbeeld verdronk, maar daar niet woonde. Als Weiteveen in dit verband genoemd wordt, betekent dit dat iemand overleed in het verpleegtehuis in Weiteveen, voorheen Amsterdamscheveld. Psychiatrische inrichtingen waren er o.a. in Warnsveld, den Bosch, Venray en Zuidlaren. Hier en daar staat achter een persoonsnaam, bijv. een aangetrouwde, een nummer waaronder die persoon elders terug te vinden is in de lijst, alsmede een paginaverwijzing. Eerste bewoners - alphabetisch
Lijst van eerste bewoners
Eerste bewoners op lijstnummer1. Gerardus Schoenmakers en Catharina Ruhof9-9-1861. Gerardus (Gradus) Schoenmakers, op 7-7-1824 geboren in Langeveen, gemeente Tubbergen, kende Gosselaar, zie DE VERKOOP VAN HET COMPASCUUM op pagina 13, uit militaire dienst. Gradus Schoenmakers trouwde op 29-8-1851 te Vriezenveen met Catharina Ruhof (of Rohof). Zij was op 24-9-1832 geboren in Schijndel (Nrd.Brabant). Haar ouders woonden later in Vriezenveen. Hun oudste kind werd in Vriezenveen geboren, het tweede in Langeveen. Vandaar vertrokken ze naar Valtherveen, gemeente Odoorn. Daar werd toen, met de vervening in aantocht, nog volop boekweit verbouwd. Van hen werden daar twee kinderen geboren. In de gemeente Emmen werden ze op 9-9-1861 ingeschreven. Ze hebben hier in het Voor-Compas gewoond op plaats nr. 11. Naast hun boerenbedrijf hadden ze een herberg. Hier zijn nog vier kinderen geboren. De dochter Gerardina verdronk in een sloot op 22-11-1862, 8 jaar oud. Zij was de eerste dode van hier en werd in Rütenbrock begraven. Gradus Schoenmakers overleed op 11-10-1880, zijn vrouw op 28-10-1898. De oudste zoon, Albartus (Bats), bleef op de oude stee, na 1918 vertrok hij naar Bargeroosterveld, waar zijn broer Johannes (Jans) al lang woonde. De vier dochters emigreerden naar Amerika, de zoon Jan vertrok naar Duitsland. De grootvader van Schoenmakers (Schoemakers, Schoenmaker) was geboren in Haselünne en in 1786 te Wateringen bij Delft getrouwd met Anna Oomes uit Leiden. Dit paar heeft ook in Schwartenberg bij Rütenbrock gewoond. Daar overleed die grootvader op 5-8-1801. Kinderen Schoenmakers-Ruhof:
2. Willem Rabbers en Stijntje Hoving19-11-1861. Willem Rabbers werd op 13-8-1830 geboren als oudste kind van Reinder Rabbers en Aaltien Leupen, landbouwers in Noordbarge. Later, in 1860, waren ze arbeiders in Nieuw Dordrecht. Hij trouwde op 27-10-1860 te Emmen met Stijntje Hoving, arbeidster in Smilde, geboren op 27-9-1839 in Meppen, gemeente Zweeloo. Op 19-11-1861 werd hier hun eerste kind, Jannes, geboren. Bij de geboorteaangifte gaf Rabbers op landbouwer te zijn in Rundeveen. Het is dan voor het eerst dat die plaatsnaam opduikt in de Burgerlijke Stand van Emmen. Het was tevens de eerste geboorte van hier. In de volgende jaren werden hier van hen nog vijf kinderen geboren. Afwisselend gaf Rabbers als beroep op arbeider of landbouwer. Evenzo deden anderen dat. Het waren landbouwers die soms ook bij anderen werkten of arbeiders die ook aan boekweitteelt deden. In 1873 waren ze landbouwers in Smeulveen (Maatschappij). Gerekend naar overlijdensaangiften hebben ze eerst gewoond in het Voor-Compas bij Hoffard (32, pagina 56). Op 30 Aug. 1873 was er bij Rabbers een boerenboeldag door vertrek naar N.-Amerika. Verkocht werd; 1 paard, 2 stuks hoornvee, 40 schapen, 4 varkens, allerhande boerengereedschap en op stam staan de aardappels en 6 bunder boekweit. Het lijkt er niet op dat Rabbers door armoede is vertrokken. De familie Rabbers vertrok op 12-9-1873 naar de Ver. Staten. Ze gingen naar Granville, staat Michigan. Daar zijn ze blijven wonen. Kinderen Rabbers-Hoving:
3. Albert Moes en Jentje Vos15-3-1862. Als tweede kind werd hier op 15-3-1862 geboren, Albert, zoon van Albert Moes en Jentje Vos. Beiden waren geboren in Smilde, Albert Moes op 18-10-1824, zijn vrouw op 30-9-1831. Ze trouwden op 3-7-1853 te Assen. Hun oudste kinderen werden in de gemeenten Smilde, Norg en Assen (Kloosterveen) geboren. Hier werd op 7-10-1864 nog hun dochter Hillegien geboren. Daarna zijn ze verhuisd naar Nieuw-Amsterdam. Albert Moes was arbeider, in Nw. Amsterdam was hij later veenbaas. Hij overleed daar op 11-9-1885, zijn vrouw op 16-10-1902. Kinderen Moes-Vos:
4. Gosem de Vries en Zwaantje Nijsingh5-4-1862. Ze kwamen op 30-3-1860 van Smilde naar de gemeente Emmen. Vermoedelijk hebben ze eerst in Vastenow (Nieuw Dordrecht) gewoond, evenals Lubbers (8, pagina 32). Hier is als datum de geboorte van Marten aangehouden. Beiden geboren in Smilde, Gosem de Vries op 9-1-1826, Zwaantje Nijsingh (Niezing, Nijsing) op 4-9-1830. Ze waren daar op 14-11-1851 getrouwd. Hun oudste kinderen waren geboren in de gemeente Norg en Smilde. Hier werd op 5-4-1862 hun zoon Marten geboren. Ze zijn hier blijven wonen, tijdelijk (1870-1872) hebben ze in de gemeente Sleen gewoond. Ook enkele kinderen hebben hier lang gewoond, Marten verhuisde in 1916 naar Zwartemeer. De zoon Jan heeft nog een tijdlang in Schöninghsdorf gewoond en is toen naar Amerika vertrok ken. Gerardus ging in 1884 naar Amerika, ook Marten is daar een korte tijd geweest. Albert en Egbert werden schipper, Rense heeft hier lang gewoond. De familie de Vries woonde later ten westen van de Runde, ongeveer tegenover plaats 32. Zwaantje Niezing overleed op 2-10-1878, Gosem de Vries op 18-12-1906. Na de dood van Zwaantje Nijsingh was bij de Vries haar zuster Aaltje Niezing, geboren 3-9-1832 te Smilde, zij overleed 5-8-1890 bij de Vries. Kinderen de Vries-Nijsingh:
5. Klaas Vos en Sijbrigjen van den Berg30-7-1862. Klaas Vos, in Smilde geboren op 25-11-1825, trouwde te Assen op 17-4-1850 met Sijbrigjen van den Berg, geboren in Terwispel, gemeente Opsterland, op 8-12-1829. Vos was arbeider, eerst in Kloosterveen, Assen en Smilde, daarna weer te Kloosterveen, gemeente Assen. Hun vijfde kind werd hier geboren op 30-7-1862. Ze hebben hier niet lang gewoond, in 1865 woonden ze in Nieuw-Amsterdam. Klaas Vos overleed daar op 8-11-1881. Zijn vrouw her trouwde met Thomas Bakker, geboren 1832 in de gemeente Rauwerderhem. Zij overleed te Nieuw-Amsterdam op 3-7-1913, Bakker op 16-4-1917. Kinderen Vos-van den Berg:
6. Harm Hindrik Kramer en Maria Gesina Tholen4-11-1862. Harm Hindrik (Minne) Kramer werd op 8-8-1838 geboren in de Maten. Zijn vader was geboren in Haren (Duitsland). Voor zijn trouwen huisde Kramer hier alleen, evenzo deden enkele anderen dat. Op 4-11-1862 verkocht hij via notaris Oostingh 63 schapen, gezamelijke opbrengst ƒ364,50. Kramer was toen inwoner van het Compascuum. Hij trouwde op 10-10-1863 te Rütenbrock met Maria Gesina Tholen, geboren 3-9-1840 in Lindloh. In Emmen trouwden ze nog eens op 29-6-1864. Ze woonden toen te Rundeveen in het Voor-Compas. Van dit huwelijk waren twee kinderen, Maria Gesina en Jan Harm. Maria Gesina Tholen overleed op 4-7-1870, zij werd in Rütenbrock begraven. Kramer hertrouwde, Emmen 29-5-1873, met Johanna Susanna Rutgers (eigenlijk Ratgers), geboren op 15-8-1845 in Nieuwe Pekela. Van dit huwelijk was Johannes Gerardus (Geert). Vrouw Kramer-Ratgers stierf op 24-9-1878. Kramer trouwde nog eens, Emmen 30-12-1881, met Maria Tecla Bücking. Zij was op 28-3-1843 geboren in Heede D. Uit dit huwelijk werd Johan Wilhelm geboren. Kramer (Kroamer Minne) overleed hier op 15-5-1903, Maria Tecla Bücking op 9-2-1923. De zoon Harm heeft in de Maatschappij gewoond, Geert werd in de Eerste Wereldoorlog vervener en kocht nogal wat grond, maar ging ook failliet toen de turf- en grondprijzen kelderden. Zoon Willem was, ongehuwd, boerenknecht in Rütenbrock. Kinderen Kramer-Tholen:
Kinderen Kramer-Rutgers:
Kind Kramer-Bücking:
7. Johann Heinrich Robben en Anna Gesina Fischer4-11-1862. Robben kocht op 4-11-1862 schapen van Kramer (6, pagina 30). Beiden waren toen al inwo ners van Rundeveen, daarom is hier die datum aangehouden. Heinrich Robben, op 12-3-1822 in Lindloh geboren, trouwde op 1-7-1856 te Rütenbrock met Gesina Fischer, eveneens in Lindloh geboren, op 20-7-1822. De vader van Robben was in Haar geboren, de grootvader in Dankern. Hun oudste kinderen waren geboren te Lindloh. Op 11-3-1864
werd hier van hen een levenloos kind geboren. Dokter Schönfeld
uit Emmen deed hiervan aangifte bij de Burgerlijke Stand, hij was
bij de bevalling geweest. In noodgevallen maakte de dokter dus
soms toch de 2 a 3 uur durende reis naar hier. Een op 6-1-1866
geboren kind overleed enkele maanden later. Gesina Robben-Fischer overleed op 7-3-1887, Hendrik Robben stierf op 16-9-1888. Van hun zoon Joseph (Robben-Joop) is een talrijk nageslacht. Kinderen Robben-Fischer:
8. Albert Lubbers en Janke Ludzerds Doornbos22-11-1862. Eén van de buren die aangifte deden van het overlijden van het meisje Schoenmakers (1) op 22-11-1862, was Albert Zondervan, 43 jaar, arbeider te Rundeveen. Wel was het gezin Zondervan al op 30-3-1860 van Smilde naar deze gemeente gekomen,maar ze hebben toen eerst in Vastenow (Nieuw Dordrecht) gewoond. Waarom hij zich lange tijd Zondervan heeft genoemd is onbekend. Hij was Albert Lubbers (of Lubberts), geboren in Smilde op 22-7-1818. Hij trouwde op 27-3-1850 in de gemeente Ooststellingwerf met Janke Doornbos, geboren 21-5-1818 in Wijnjeterp, gemeente Opsterland. Hun oudste kinderen werden in Ooststellingwerf geboren, daarna hebben ze in Smilde gewoond. In Vastenow werd hun zoon Harm geboren. De oudste zoon werd ingeschreven als Lubbers, de volgende drie als Zondervan. Door de rechtbank werd later die namen veranderd in Lubbers, alleen Markus behield de naam Zondervan. Janke Doornbos overleed hier op 16-7-1867. Lubbers (er staat dan bij ook genaamd Zondervan) hertrouwde op 2-7-1868 in Emmen met Annechien Postema, geboren 29-5-1831 in de gemeente Leek. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren. Albert Lubbers stierf op 18-4-1876. Annechien Postema hertrouwde op 13-6-1878 met Harm Meijering (15, pagina 39). Zij overleed op 29-3-1904 in Munsterscheveld. In de volksmond stond deze familie nog heel lang als Zondervan bekend. Drie zonen werkten later in Duitsland en werden daar Katholiek. De oudste van hen, Egbert Alberts, heeft hier gewoond. De tweede, Ludserd Alberts, was scheper in Brok (Wesuwe), toen hij daar ongehuwd overleed. Men schreef daar van Hermann Caspar Lübbers. Markus was hier na 1886 niet meer te volgen. De zoon Harm was pachtboer in Versen D. Kinderen Lubbers-Ludzerds Doornbos:
Kinderen Lubbers-Postema:
9. Johannes Dijks en Roelfje Smits29-12-1863. Johannes Dijks, op 27-12-1826 geboren in Sleen, trouwde in Odoorn op 12-5-1855 met Roelfje (of Roelfien) Smits, op 24-2-1827 te Anloo geboren. Ze waren eerst landbouwers in Exloërveen. Daar werden hun oudste kinderen geboren, de laatste op 21-11-1861. Hier werd op 29-12-1863 hun zoon Hindrik geboren, die enkele jaren later overleed (verdronken). Ze hebben hier gewoond aan de Schoolweg-Zuid. Na 1875 is de familie Dijks vertrokken naar Vastenow (Nieuw Dordrecht) en vandaar naar Weerdinge. Johannes Dijks stierf op 27-5-1897 als landbouwer te Weerdinge, zijn vrouw was daar al eerder, op 3-1-1891 overleden. Kinderen Dijks-Smits:
10. Jan Harm Klifman en Aaltje Wolters6-5-1864. De familie Klifman kwam op 6-5-1864 van Coevorden naar hier. Ze hebben ongeveer 6 jaar in de Maatschappij gewoond. Jan Harm Klifman, op 5-12-1836 geboren te Coevorden, trouwde daar op 2-5-1860 met Aaltje Wolters, in Achterhorn bij Emlichheim geboren op 14-3-1834. Zij was toen dienstmeid in Coevorden. De vader van Klifman was geboren in Lage, ook Duitsland. De eerste jaren woonden ze in Coevorden. Ze zijn er op 28-4-1870 ook weer naar toe gegaan. Klifman werd toen tolgaarder in Mars in die gemeente. Aaltje Wolters overleed op 5-12-1908 in Wijnharst, gem. Coevorden, Harm Klifman stierf op 31-12-1921 te Coevorden. Kinderen Klifman-Wolters:
11. Johann Hermann Keuter en Anna Angela Ahlers10-5-1864. Harm Keuter, op 16-3-1835 te Rütenbrock geboren, trouwde daar op 10-5-1864 met Angela Ahlers (of Alers), in Schwartenberg geboren op 17-6-1841. Bij hun huwelijk staat als toekomstige woonplaats Berger Moor. Zo kon B.C. ook genoemd worden. In het Bevolkingsregister van Emmen werden ze op 31-8-1865 ingeschreven. Ze hebben hier eerst in de Maatschappij gewoond. In 1873 zijn ze vertrokken naar Zwartemeer, waar toen de bewoning op gang kwam. Angela Ahlers overleed daar op 24-7-1915, Harm Keuter is er op 22-10-1920 gestorven. Bij de geboorteaangifte van de tweede zoon, Gerhard Herman (Geert), werd zijn naam verschreven tot Koiter. De grootvader van Keuter was in Tinnen geboren. Kinderen Keuter-Ahlers:
Figuur Gerhard Herman (Geert) Koiter en Anna Helena Mensen Bron Gerard Steenhuis 12. Arend Strijks en Hindrikkien Hindriks17-5-1864. Arend Strijks, geboren 23-2-1823 in Zweeloo en Hindrikkien Hindriks, op 12-8-1824 geboren in Sleen. Ze trouwden op 18-12-1850 te Emmen. Strijks (soms Strijk of Strieks) was toen boerenknecht in Zuidbarge, zij werkte in Zuid-Sleen. Later was Strijks arbeider in Sleen en in 1862 woonden ze in Schoonoord. Vandaar werden ze in deze gemeente ingeschreven op 17-5-1864. Hier woonden ze in de Maatschappij. Op 7-8-1866 werd van hen een levenloos kind geboren. Op 16-1-1868 overleed Hindrikkien Hindriks. Strijks werd op 19-5-1869 door de rechtbank te Assen veroordeeld tot een jaar gevangenis straf en het betalen van de kosten, ƒ50,95. Hij had in de vroege morgen van 11-2-1869 een hoeveelheid aardappels, ongeveer een half mud, weggenomen van Pieter Hoge of van der Aa (81, pagina 101). Er waren drie getuigen; Jan Harm Klifman (10, pagina 34), Jan Willem Mulder (82, pagina 102) en Hette Nuismer (73, pagina 94), onbezoldigd rijksveldwachter, allen wonend in Smeulveen. Ook Elisabeth Kessens die toen samenwoonde met Strijks, getuigde. Zij verklaarde dat de beklaagde die nacht zijn keet was uitgeweest, zij wist niet waarom. In 1876 was Strijks arbeider in Ter Apel. Hij trouwde in Vlagtwedde op 24-5-1876 met Susanna Elisabeth Kessens, op 4-11-1829 in Haren D. geboren. Na een poos in Duitsland te hebben gewoond, verbleven ze later weer in B.C., ten westen van de Runde. Strijks overleed daar op 28-6-1890, Elisabeth Kessens op 1892. Kinderen Strijks-Hindriks:
13. Johann Bernard Heitel en Maria Angela Arends24-6-1864. Berend Heitel werd op 17-2-1827 geboren in Schwartenberg, zijn vader kwam van Darme bij Schepsdorf (Lingen). Maria Angela Arends (of Arens) was op 26-9-1832 geboren te Neurhede. Ze trouwden op 11-10-1856 in Rütenbrock. Ze woonden eerst in Schwartenberg, daar werden hun drie oudste kinderen geboren, die jong zijn overleden. Hier werd op 24-6-1864 Johannes geboren. Hij werd als eerste van hier gedoopt te Rütenbrock. Ook dit kind is jong gestorven. In 1867 werd Hindrik geboren en in 1871 Anna Margaretha. De Heitel's hadden in Schwartenberg de huisnaam Kucks. Die naam werd ook nog eens in Emmen gebruikt, in 1868 bij een overlijdensaangifte. Die huisnaam hadden ze omdat de oude Heitel ingetrouwd was bij Theodor Kuck. In Emmen werd de naam Heitel verschreven tot HAITEL. De familie Heitel woonde hier in de Maatschappij. Later zijn ze vertrokken naar Bargeroosterveld. Daar wonen de meeste nakomelingen. Angela Arens overleed op 11-11-1908, Berend Heitel op 1-1-1909. Kinderen Heitel-Arends:
14. Bernard Heinrich Tubben en Catharina Margaretha Fuhler24-6-1864. Peter bij het dopen van Johannes Heitel (13, pagina 37) was Bernard Heinrich Tubben (of Többen), landbouwer te Compascuum, zoals de pastoor van Rütenbrock toen schreef. Tubben was op 10-1-1822 in Lindloh geboren. Zijn vader kwam van Hollen in Ostfriesland. Margaretha Fuhler, geboren 4-11-1823 te Rütenbrock, was de derde vrouw van Tubben. Ze waren op 11-1-1859 in Rütenbrock getrouwd. Tubben was eerst getrouwd, Rütenbrock 27-11-1849, met Maria Tecla Suelmann, in 1823 te Lindloh geboren. Zij overleed op 21-7-1854 in Schwartenberg. Hij hertrouwde op 10-7-1855 met Anna Gertrud Heitel, geboren 1829 in Schwartenberg. Zij stierf daar op 12-11-1856. Hier woonden ze in de Maatschappij. In enkele jaren overleden daar; op 19-1-1875 de dochter Margaretha Adelheid, op 12-2-1878 Bernard Heinrich Tubben en zijn vrouw op 22-8-1879. De zoon Gerhard Heinrich heeft eerst in Munsterscheveld gewoond, later in Klazienaveen. Hij was getrouwd met Anna Dina Nüssen, ze vierden op 25-9-1948 hun 60-jarig huwelijk. Ze hebben een talrijk nageslacht. Kinderen Tubben-Suelmann:
Kinderen Tubben-Fuhler:
15. Harm Meijering en Albertje Brinks12-8-1864. Harm Meijering, op 22-3-1822 in Dalen geboren, trouwde daar op 28-6-1845 met Albertien Brinks, geboren 27-1-1823 te Emmen. Hun oudste kinderen werden in Dalen geboren, daarna woonden ze in Nieuw Buinen, gemeente Borger. In Emmen werden ze op 12-8-1864 ingeschreven, komend van Borger. Op 6-12-1865 werd hier hun dochter Gesien geboren en op 23-7-1871 dochter Aaltje. Dit kind overleed op 30-12-1871. Twee dagen later, op 1-1-1872, stierf vrouw Meijering-Brinks. Harm Meijering hertrouwde op 13-60-1878 in Emmen met Annechien Postema, weduwe van Albert Lubbers (8). Ze hebben eerst in het Voor-Compas gewoond, later aan de
Schoolweg-Zuid. De Meijerings hebben hier lang gewoond, ook een
paar kinderen van hen. Op 8-5-1885 werd hier hun hele hebben en
houden verkocht wegens huurschuld (misoogst?). Hun woning werd op
afbraak verkocht. Op 7-11-1953 werd te Ter Apel de dochter Hendrikje, toen opoe Smit, 100 jaar. Ze wist nog veel van vroeger en dat werd door een verslaggever dankbaar aangegrepen. Ze was zo oud geworden door hard te werken en droog brood te eten. "Er werd op het veen een woonhutje gebouwd, waarvan u zich de bouw en inrichting wel niet zal kunnen voorstellen. We moesten planken onder de stoelpoten slaan opdat de poten niet in het veen zouden wegzakken. Tegen de wand was een grote kei geplaatst en daarvoor werd op de grond het vuur door middel van turven aangelegd, dienende niet alleen voor warmte maar ook voor kookdoeleinden; boven het vuur een ijzeren ketel, met een ketting opgehangen aan de zoldering. 's Morgens moest ik van moeder met een bezem de as over de vloer verspreiden, zoals vroeger in cafe's wel zand werd gestrooid om de vloer een helder aanzien te geven. Een heel enkele keer bezocht ik de school, maar het was bitter noodzakelijk bij te dragen in het onderhoud van het gezin." Hendrikje is 107 jaar geworden en een tijdje de oudste inwoonster van Nederland geweest. Kinderen Meijering-Brinks:
16. Bernard Sandmann en Anna Margaretha Manning15-9-1864. Bernard Sandmann, op 31-12-1835 geboren in Lindloh, trouwde,Rütenbrock 3-6-1862, met Anna Margaretha Manning, geboren in Rütenbrock op 3-2-1839. Sandmann was timmerman-landbouwer. Ze hebben eerst nog in Ter Apelkanaal gewoond. In Emmen werden ze op 15-9-1864 ingeschreven, komend van Vlagtwedde. Ze woonden in het Voor-Compas. Een zoon heeft hier lang gewoond, de andere zoon woonde in Emmercompascuum. Twee getrouwde dochters zijn jong overleden. Margaretha Manning overleed hier op 29-7-1883. Sandmann stierf op 9-2-1915 bij zijn dochter in Wesuwermoor. De Sandmans stammen van Lohne in Oldenburg. Kinderen Sandmann-Manning:
17. Gerhard Wilkens en Helena Janknecht4-10-1864. Bij een geboorteaangifte op 4-10-1864 door Kramer (6, pagina 30) staat als getuige vermeld Geert Wilkens, 30 jaar, arbeider te Rundeveen. Deze Wilkens stamde vermoedelijk van Heede. Helena Janknecht, geboren te Walchum op 4-2-1843, stierf hier op 29-6-1865, 21 jaar oud. Zij werd begraven in Rütenbrock. Vermoedelijk is Geert Wilkens toen teruggekeerd naar Duitsland. 18. Bernard Heinrich Suelmann en Maria Margaretha Müller..-10-1864. Bernard Heinrich Suelmann, later Sulmann, geboren 28-1-1816 in Lindloh, trouwde op 2-7-1844 te Rütenbrock met Margaretha Müller, geboren 20-3-1820 in Schwartenberg. Hun oudste kind, Johann Wilhelm (86, pagina 106) werd geboren in Rütenbrock. Daarna woonden ze in Hebelermeer, daar zijn hun andere kinderen geboren. Suelmann huurde hier op 4-6-1864 een perceel grond met de voorwaarde daarop voor 1 mei 1865 een woning te bouwen en te bewonen. Sulmann deed zelf aangifte te Emmen van het overlijden van zijn 18-jarige dochter Anna Maria op 19-9-1865. Volgens het dodenboek van Wesuwe is zij te Brook overleden en in Wesuwe begraven. Zoals meer leden van deze uitgebreide familie hadden ook zij de huisnaam Kloet(en). De familie woonde later in Zwartemeer, twee zoons en een dochter hebben daar ook gewoond. Een kleinzoon was de bekende Johann Hermann die lang vakbondsbestuurder en gemeenteraadslid was. De zoon Anton was betrokken bij een vechtpartij en vertrok daarom naar Amerika. Margaretha Müller overleed op 4-4-1881. Sulmann hertrouwde, Emmen 6-3-1883, met de wed. Wielage-Wilken. Hij overleed op 26-5-1886 in Zwartemeer. Kinderen Suelmann-Müller:
19. Johann Heinrich Kollmer14-11-1864. Heinrich Kollmer en Heinrich Hüsers (20, pagina 44) woonden aan de Runde toen zij op 14-11-1864 Johannes Hendrikus Veltrop (112, pagina 131) mishandelden. Ze kregen hiervoor elk 2 maanden gevangenisstraf + ƒ8,- boete en moesten aan kosten ƒ13,63 betalen. Deze Kollmer (of Kolmer, Colmer) huisde hier toen vermoedelijk alleen in een keet of hut. Ook van anderen is zoiets bekend, b.v. Jan Berend Wilken (47, pagina 70) en Joseph Teiken (102, pagina 122). Hendrik Kollmer staat niet op de lijst van 1872. Later woonde hij hier wel weer, in Zwartemeer. Hij was op 2-8-1841 geboren in Hebelermeer. Hij trouwde, Wesuwe 5-3-1867, met Anna Gesina Krüssel. Zij was 30 jaar ouder dan hij en in 1810 te Hebelermeer geboren. Ze woonden in Hebelermeer, Gesina Krüssel overleed daar op 25-4-1878. Kollmer kwam hier terug met Maria Anna Reis, geboren 23-12-1851 in Hebelermeer. De inschrijfdatum voor die twee is 17-10-1879. Er werd een kind geboren dat een half jaar werd. Maria Anna Reis stierf op 17-6-1880 bij haar broer Peter Reis (111, pagina 130). Hendrik Kollmer hertrouwde op 29-8-1880 in B.C. met Maria Catharina Klönne, in 1860 geboren, ook in Hebelermeer. Ze woonden in Zwartemeer. Op 16-11-1894 trouwden ze ook in Emmen, waarbij hun kinderen werden gewettigd. Catharina Klönne overleed op 28-12-1906. Kollmer trouwde nog eens, Emmen 25-4-1907, met Margaretha Wilken, te Altenberge geboren in 1841. Zij was toen weduwe van achtereenvolgens Johann Heinrich Wielage, Bernard Heinrich Sulmann (18, pagina 42) en van Anton Wilken. Margaretha Wilken is op 23-7-1916 bij haar zoon Harm Wielage aan de Limietweg gestorven. Hendrik Kollmer overleed op 28-11-1919 in het ziekenhuis te Zwolle. De Kollmers stammen van Lahn bij Werlte. Kinderen Kollmer-Klönne:
Figuur Johann Heinrich Kollmer en Maria Catharina Klönne Bron Marietje Hartmann 20. Heinrich Hüsers en Maria Catharina Berken14-11-1864. Hüsers woonde op 4-6-1864 nog in Hebelermeer. Hij huurde toen een deel van plaats 33, met de verplichting er een woning op te bouwen voor 1-5-1865. Hier is de datum aangehouden waarop de zoon Johann Heinrich hier woonde. Heinrich Hüsers, op 16-2-1819 geboren te He belermeer, trouwde op 16-4-1844 in Wesuwe met Catharina Berken, geboren 23-1-1817, ook in Hebelermeer. Op de lijst van pastoor Vroom staan maar twee van hun kinderen, Johann Hermann en Bernard Heinrich, de anderen verbleven in Duitsland. Ze zijn later vertrokken naar Schöninghsdorf. Hüsers overleed daar op 2-8-1881, zijn vrouw op 7-2-1904. Sommige kinderen van hen hebben hier gewoond. De zoon Johann Heinrich kende het molenaarsvak. Hij werd Muller-Hendrik genoemd. Hij heeft gewerkt in Roswinkel, Nw. Dordrecht en B.C., later woonde hij in Zwartemeer. Kinderen Hüsers-Berken:
Figuur Johann Wilhelm Specken en Anna Maria Hüsers 21. Bernard Heinrich Schulte1-12-1864. Bernard Heinrich Schulte, geboren te Altharen op 16-4-1808, was weduwnaar van Angela Adelheid Robben toen hij naar hier kwam met drie volwassen kinderen. Ze hadden in Dankern gewoond en daarna een korte tijd in Sellingerbeetse. Ze kwamen op 1-12-1864 naar hier. Ze woonden in de Maatschappij. Van een dochter werd op 10-2-1866 een kind geboren, dat vijf dagen later overleed. Het werd te Rütenbrock begraven. De andere dochter, Maria Adelheid, kreeg op 19-7-1866 een kind dat werd aangegeven als Grieta Aleid. Adelheid trouwde later met Gerhard Fischer, haar dochter trouwde met een zoon van Fischer uit zijn eerste hu welijk. Ze zijn allen naar Amerika vertrokken. Bernard Heinrich Schulte overleed op 8-12-1868. Hij werd in Erica begraven. Sinds de oprichting van een R.K. kerk en begraafplaats te Erica in 1866 werden bijna alle Katholieken van hier daar begraven, tot hier in 1876 een eigen kerkhof kwam. Van de zoon, hij werd Feiken-Harm genoemd, ging het verhaal dat hem een arm stukgeslagen werd bij een ruzie die ontstond bij het richten van een huis of schuur. Deze Harm trouwde met Maria Gesina Bruns van Tuntel. Dit huwelijk was kinderloos. Na de dood van zijn vrouw is Hermann Schulte vertrokken naar Amerika (Missouri) samen met de Fischers. Kinderen Schulte-Robben:
22. Bernardus Thier en Anna Gesina Kramer7-12-1864. Bernard Thier was op 18-8-1839 geboren in Mussel (Onstwedde). Zijn vader was smid en in Billebeck D. geboren. Later woonde die familie in de Maten. Bij een verhuring van boekweitveen op 7-12-1864 was Thier één van de huurders. Hij woonde toen in de Maatschappij, samen met Anna Gesina Kramer (of Cramer), geboren in Altenberge. Van hen was geen huwelijk te vinden. Thier mishandelde op 7 en 8 Mei 1865 zijn buurman Franz Gielbers (31, pagina 55) en diens vrouw. Hiervoor werd hij tot 15 dagen gevangenisstraf veroordeeld. Tijdens het ondergaan van die straf overleed hij op 21-7-1865 te Assen. Volgens de overlijdensakte woonde hij te Kolonie bij de Runde en was hij ongehuwd. Op 8-9-1865 werd hier van hen een kind geboren. Het werd te Emmen aangegeven door Johann Bernard Cramer, 53 jaar, arbeider te Oldenberg (Altenberge). Hij verklaarde dat zijn dochter Anna Gesina Cramer, arbeidster te Oldenberg, op 8-9-1865 bevallen was ten huize van haar bruidegom. Naam van het kind Jan Berend. Bij de doop in Rütenbrock van deze Johann Bernard trad als meter op Anna Helena Driever-Schumacher (38, pagina 61), ook wonend te Compascuum. Anna Gesina Kramer is vermoedelijk kort daarna teruggekeerd naar Duitsland met haar zoon. 23. Johann Book en Anna Maria Budde..-..-1864. Johann (Jan) Book, op 17-12-1825 geboren in Altenberge, trouwde te Wesuwe op 26-11-1850 met Maria Budde, in Brok (ook wel Brook genaamd, bij Wesuwe) geboren op 19-10-1825. Book, op 20-8-1864 landbouwer in Emen bij Haren, huurde hier toen 3 ha grond op het wes teinde van plaats 36 met de verplichting van woningbouw voor 1-5-1865. Ze hadden eerder in Dankern gewoond, daar waren hun kinderen geboren. De drie zoons heb ben hier ook gewoond, later vertrok één van hen naar Wezuperbrug gemeente Zweeloo, een andere is verhuisd naar Hesepertwist. Maria Budde overleed hier op 30-9-1888, Jan Book op 25-7-1890. Kinderen Book-Budde:
Bron Matthias Bollmer 24. Jan Hindrik Heine22-1-1865. Hendrik Heine werd op 22-1-1865 ingeschreven in deze gemeente, komend van Odoorn. Hij heeft vermoedelijk de eerste jaren hier alleen gewoond. Heine was op 17-6-1844 geboren in Zandberg en trouwde op 31-5-1870 te Rütenbrock en in Emmen op 23-9-1870 met Maria Angela Wösten, geboren te Lindloh, 1-11-1838. In Emmen gaf hij op schaapherder te zijn in Rundeveen. Ze hebben in de Maatschappij gewoond, later verhuisden ze naar Bargeroosterveld. Angela Wösten overleed daar op 12-7-1897, hun huwelijk was kinderloos. Hendrik Heine hertrouwde, Emmen 1-10-1897, met Marijke Helena Emmerink, geboren 3-10-1865 in Valtherveen. De drie zoons van dit huwelijk schreven hun naam als Heinen. Jan Hindrik Heine overleed te Bargeroosterveld op 28-9-1915, Marijke Helena Emmerink op 17-7-1953. Kinderen Heine-Emmerink:
25. Hermann Heinrich Borgmann en Anna Angela Wilken31-4-1865. De familie Borgmann werd op 31-4-1865 te Emmen ingeschreven, komend van Wesuwe. In October 1865 pachtten ze 10 ha grond op plaats 34, met de voorwaarde er een woning op te bouwen. Borgmann, op 29-4-1812 geboren in Altharen, trouwde op 5-5-1840 te Wesuwe met Anna Angela Wilken (soms Lammers), geboren in Lathen op 12-9-1808. Ze woonden eerst in Wesuwe, hun kinderen werden daar geboren. Hier woonden ze aan de Streek (Schoolweg) op plaats nr. 34. Hermann Heinrich Borgmann overleed op 10-12-1892, zijn vrouw op 4-11-1893. Via hun zoon Johann Joseph hebben ze een talrijk nageslacht. Kinderen Borgmann-Wilken:
Kinderen van Johann Joseph:
Figuur Herman Otto Borgmann en Margaretha Muller Bron Gerard Steenhuis 26. Willem Feringa en Anna Tecla Einhaus1-5-1865. Met deze datum zijn in Emmen een rijtje Compascumers ingeschreven die hier waarschijnlijk al eerder woonden. Misschien had de veldwachter van Emmen een rondtocht gemaakt. Willem Feringa, geboren op 6-10-1805 te Groningen, trouwde op 7-5-1829 in Twist met Anna Tecla Einhaus (Einhus, Enhus), in Hesepertwist geboren op 9-1-1805. De geboorte van Feringa was in Groningen niet te vinden. Misschien is hier een naamsverandering in het spel. Er werd op die tijd een Willem Geertsma geboren, de naam van de moeder, Margaretha Wilken, is gelijk aan wat Feringa opgaf. Bij hun trouwen gaf Feringa kleermaker als beroep op, later was hij daar Hausling, dat is arbeider met een klein boerenbedrijfje. Ze hebben lang in Adorf bij Twist gewoond. Daar woonden ze nog toen Feringa op 4-6-1864 een deel van plaats 32 pachtte met de verplichting van woningbouw voor 1-5-1865. Toen ze naar hier kwamen waren er nog twee kinderen bij hen thuis en een kleinzoon Gerhard Wilhelm (Veringa). Twee zoons woonden toen in Hebelermeer, één ervan , Hermann Heinrich Otto (34, pagina 58), kwam hetzelfde jaar ook naar hier, een dochter was gehuwd in Slagharen. Willem Feringa (soms Veringa) woonde later in Zwartemeer. Anna Tecla Einhaus overleed op 3-5-1879, Willem Feringa op 28-1-1891. Het zijn de voorouders van veel katholieke Feringa's en Veringa's. Kinderen:
27. Johann Bernard Berens1-5-1865. Ook Bernard Berens huurde op 4-6-1864 hier een stuk grond, deel van plaats 26, met verplichte woningbouw en bewoning voor 1-5-1865. Hij woonde toen nog in Lindloh bij zijn ouders. Hij heeft hier eerst gewoond in een keet op plm. 150 m. van de Runde, samen met zijn broer Johann Hermann. Later werd er een betere woning gebouwd op die grond aan de Schoolweg. Johann Bernard Berens was op 22-8-1830 geboren te Lindloh, zijn broer Harm was daar op 23-6-1827 geboren. Bernard (of Berend) trouwde op 11-3-1873 te Emmen met Anna Helena Muller, geboren 6-3-1843 in Roswinkel. Hij overleed al op 27-2-1881. Helena Muller vertrok in 1913 naar Emmercompascuum, zij stierf daar op 3-12-1919. Harm Berens is al gauw verhuisd naar Zwartemeer. Hij trouwde enkele jaren later met Maria Adelheid Feringa (26). Zij overleed op 8-6-1886 in Zwartemeer, Harm Berens op 9-5-1893. Kinderen Berens-Muller:
Figuur Trouwfoto Bernard Berens en Griet Wilken, 1909 Toelichting: Staand Bernard Wilken, Tedje van der Weide en Geert Wilken. Figuur Familie Berens-Wilken 1925 Toelichting: v.l.n.r. Broer Berens, Willem Rolfes, Bernard Berens, Griet Wilken, Mina Mathijssen, Lenie Berens Figuur Anna Helena Muller Figuur Familie Schulte-Berens 1926 Toelichting: boven v.l.n.r.: Herman, Stien, Lenie, midden: Hendrik, Johann Bernard Schulte, Gezina Berens, Be, onder: Jo, Liedje, Broer 28. Johann Heinrich Tholen en Anna Dorothea Bergmann1-5-1865. Heinrich Tholen, geboren 8-1-1829 in Lindloh, trouwde te Rütenbrock op 14-11-1865 met Dorothea Bergmann, op 6-7-1833 geboren in Dankern. Ook Tholen had hier grond gepacht, een deel van plaats 17, met de bekende voorwaarden. Ze hebben aan de Schoolweg gewoond. Volgens de lijst van pastoor Vroom diende in 1872 bij hen Adelheid Gerdes, 13 jaar oud, verder onbekend. In 1878 woonden ze in Bargeroosterveld. Daar zijn ze gestorven, Hendrik Tholen op 22-8-1896, Dorothea Bergmann op 22-5-1906. Hun twee kinderen zijn jong gestorven. Kinderen Tholen-Bergmann:
29. Johann Hermann Wester en Maria Gesina Falke1-5-1865. Harm Wester was op 20-8-1864 landbouwer in Hebelermeer, toen hij hier 8.80 ha grond pachtte dat lag op het westeinde van plaats 31. Hij moest daar voor 1-5-1865 een woning bouwen en bewonen. Hermann Wester was in Klein Bersen geboren op 3-6-1820 en trouwde op 15-2-1858 te Wesuwe met Maria Gesina Falke, in Hebelermeer op 28-12-1833 geboren. Hun oudste kinderen werden in Hebelermeer geboren. Hier woonden ze aan de Schoolweg-Zuid op plaats 31. Gesina Falke overleed al op 24-9-1871. Wester hertrouwde, Erica 17-6-1872 - Emmen 14-10-1873, met Maria Adelheid Feringa (26, pagina 51). Harm Wester over leed hier op 31-12-1876. Sommige kinderen vertrokken naar Duitsland, anderen naar Amerika. Adelheid Feringa hertrouwde met Harm Berens (27, pagina 52). Kinderen Wester-Falke:
Kind Wester-Feringa:
30. Harmannus Luttel en Maria Adelheid Kappen3-5-1865. Harmannus Luttel was op 12-7-1839 geboren in Zaadveenen, zo werd Steenwijksmoer toen genoemd. Hij leefde hier samen met Maria Adelheid Kappen, te Hebelermeer geboren op 5-10-1834. Bij hen was ook een zuster van haar, Margaretha Kappen. Van deze Margaretha werd hier op 3-5-1865 een dochter Engel geboren. Harm Luttel gaf de geboorte aan in Emmen. Margaretha en haar dochter vinden we hier verder niet terug. Luttel deed ook aangifte van Fentriene, op 14-8-1865 geboren te Rundeveen, dochter van Maria Adelheid Kappen. Het kind stierf op 30-10-1865 en werd te Rütenbrock begraven. Van dit paar werd op 16-12-1866 Berend Hendrik geboren. Op 14-3-1867 trouwden ze in Emmen, op 18-3-1867 te Erica. Op 6-11-1867 werd Luttel in Assen veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf wegens diefstal van een plank. Dat was een plank van een brug in het Smeulveen, hij had de plank gebruikt voor zijn varkenshok. Verzachtende omstandigheden waren; geringe waarde van het ontvreemde en armoede van de verdachte. Niet lang na 1872 zijn ze vertrokken naar Meppen, Adelheid Kappen overleed daar op 28-11-1901. Kind M. Kappen:
Kinderen Luttel-M.A. Kappen:
31. Franz Gilbers en Maria Angela Wilken7-5-1865. Franz Gilbers (of Gielbers), geboren 2-12-1826 te Rütenbrock, trouwde daar op 26-11-1861 met Angela Wilken, in Lindloh geboren op 15-12-1829. Ze hebben een paar jaar in de Maatschappij gewoond. Hij en ook zijn vrouw werden op 7-5-1865 mishandeld door Thier (22, pagina 47). Gilbers werd op 27-3-1867 veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf wegens diefstal van een zak turf. Armoede van de beklaagde werd als verzachtende omstandigheid aangenomen. Na 1867 vinden we hen hier niet terug, ze zijn teruggegaan naar Lindloh. Hun huwelijk was kinderloos. Angela Wilken overleed op 27-7-1899 in Lindloh. 32. Hermann Heinrich Hoffard en Maria Margaretha Ahlers9-5-1865. Hoffard, op 19-11-1835 in Krüssel (Wesuwe) geboren, trouwde te Rütenbrock op 9-5-1865 met Margaretha Ahlers, geboren 10-10-1844 in Schwartenberg. In Onstwedde werd nogeens getrouwd op 18-5-1865. Bij het huwelijk in Rütenbrock staat Compascuum als toekomstige woonplaats. De vader van Hoffard was in Alten Rheine geboren. Zijn ouders hadden eerst in Krüssel gewoond, later verhuisden ze naar Horsten (Onstwedde). Het gezin Hoffard-Ahlers woonde hier aan de Schoolweg-Noord op plaat 15, dicht bij het Voor-Compas. Harm Hendrik Hoffard is hier op 20-9-1897 overleden, zijn vrouw is op 28-10-1917 gestorven in Bargeroosterveld één van hun kinderen. De oudste zoon ging naar Amerika, Geert Harm vertrok naar Duitsland. Bernard woonde hier in de Maatschappij. De dochter en de jongste zoon hebben in Bargeroosterveld gewoond. Kinderen Hoffard-Ahlers:
33. Jan Geert Ameln en Anna Helena Koks26-8-1865. Geert Ameln, te Zandberg geboren op 4-2-1834, trouwde op 26-8-1865 in Vlagtwedde met Anna Helena Koks (Kocks), op 24-2-1845 geboren in de Maten. Met die trouwdatum werden ze ook in Emmen ingeschreven als inwoner van hier. Ze woonden in de Maatschappij. Er werden tien kinderen geboren, twee overleden jong. Na de geboorte van een tweeling op 20-1-1885 overleed Helena Koks op dezelfde dag. Twee dochters zijn hier getrouwd, Anna Engel met Bernard Heinrich Brand (40, pagina 63). Ze waren niet gehuwd voor de Burgerlijke Stand; de kinderen van hen heetten Ameln. Geert Ameln vertrok in 1903 met de laatste drie kinderen naar Amerika, drie kinderen waren daar al. De vader van Geert Ameln, Georg (hier Jurrien of Jurjen), geboren in Oberlangen , woonde hier later ook. Hij was hertrouwd met Maria Wielage, in 1825 geboren te Niederlangen. Dat huwelijk was ook niet burgerlijk gesloten, hun kinderen heetten Wielage. Georg Ameln over leed hier op 23-5-1881, zijn vrouw op 2-5-1890. Kinderen Ameln-Koks:
34. Hermann Heinrich Otto Feringa en Maria Anna Diesen31-8-1865. Op 31-8-1865 werd in Emmen weer een rijtje nieuwe bewoners van Compascuum ingeschreven. Hierbij was ook deze Feringa, een zoon van Willem Feringa (26, pagina 51). Geboren in Adorf op 11-11-1833 en gedoopt als Hermann Heinrich Otto. Later leest men meestal Johann Hermann of Jan Harm. Hij trouwde op 3-11-1857 in Wesuwe met Maria Anna Diesen, te Hebelermeer geboren op 2-2-1831. Ze hebben eerst in Hebelermeer gewoond, hier woonden ze in de Maatschappij, dicht bij de (latere) Postweg. Feringa overleed op 13-7-1887, Maria Diesen op 14-9-1889. Twee zoons en een dochter zijn hier blijven wonen, waaronder Gerhard Heinrich (Hendrik), die door een verschrijving een Veringa werd. Kinderen Feringa-Diesen
Bron Gerard Steenhuis 35. Hermann Heinrich Pranger en Maria Adelheid Grüter31-8-1865. Pranger, geboren 3-10-1810 te Sögel, trouwde op 21-9-1847 in Haren met Maria Adelheid Grüter, geboren 19-7-1812 in Landegge. Zij was toen weduwe van Hermann Heinrich Lantermann. Ze hebben lang in Landegge gewoond, daar zijn hun kinderen geboren. Hier woonden ze in de Maatschappij. Pranger overleed op 20-6-1885, zijn vrouw op 12-5-1891. De oudste dochter trouwde met Albert Einhaus. Dit huwelijk was niet burgerlijk gesloten, de kinderen heetten Pranger. De zoon heeft in Meppen gewoond, hij verongelukte samen met drie anderen bij kanaalwerkzaamheden. De dochter uit het eerste huwelijk van vrouw Pranger heeft hier maar een korte tijd gewoond. Kinderen Lantermann-Grüter:
Kinderen Pranger-Grüter
Bron Gerard Steenhuis 36. Gerhard Hermann Brinkmann en Maria Tecla Sandmann31-8-1865. Harm Brinkmann, op 3-5-1830 geboren in Neudersum, trouwde te Rütenbrockop 1-5-1855 met Tecla Sandmann, in Schwartenberg geboren op 29-11-1828. De ouders van Brinkmann woonden toen al lang in Rütenbrock. Hun kinderen werden in Schwartenberg geboren. Hier woonden ze in de Maatschappij. Het gezin Brinkmann staat in het rijtje dat op 31-8-1865 te Emmen werd ingeschreven. Tecla Sandmann overleed op 6-11-1873. Brinkmann hertrouwde, Emmen 21-4-1875, met Anna Margaretha Robben (96, pagina 116). Harm Brinkmann stierf hier op 9-1-1892. Margaretha Robben (Brinkmanns Greite) vertrok met haar zoon Hendrik naar Bargeroosterveld. Zij is nog een paar keer getrouwd geweest. Kinderen Brinkmann-Sandmann:
Kinderen Brinkmann-Robben
37. Joseph Suntrup31-8-1865. Met deze datum staat te Emmen ook Joseph Suntrup ingeschreven als arbeider in Rundeveen. Hij was in 1825 in Dankern geboren en ongehuwd. Hij heeft hier niet lang gewoond en staat niet op de lijst van pastoor Vroom. Op 31-8-1880 trouwde te Rütenbrock een Gerhard Joseph Suntrup, in Dankern geboren op 30-3-1824, weduwnaar en arbeider in Rütenbrock, met Anna Margaretha Hake, op 14-3-1832 in Rütenbrock geboren. Vermoedelijk is dit onze Joseph Suntrup. Hij is niet verder gevolgd. 38. Johannes Hermannus Driever en Anna Helena Schomaker31-8-1865. Ook deze Driever staat op die datum ingeschreven. In Wesuwe zijn ze te vinden als Johann Driver, geboren op 18-6-1830 te Amsterdam, op 28-11-1854 in Wesuwe getrouwd met Helena Schomaker, geboren 28-4-1825 in Tinnen. Ze hadden eerst in Dankern gewoond. Ze hadden vier dochters, twee ervan waren hier bij hen thuis. Ze hebben hier een korte tijd gewoond, in 1867 was Driever (Driver, Driewer) pachtboer in Lindloh. Op 29-12-1896 overleed Johann Hermann Driever, hij was toen pachter in Schwartenberg. Kinderen Driever-Schomaker:
39. Johann Bernard Jansen en Maria Anna Lageman31-8-1865. Bernard Jansen, in Altharen op 10-4-1822 geboren, trouwde op 20-11-1861 te Wesuwe met Maria Anna Lagemann, geboren 23-1-1832 in Bruchterbeck bij Ibbenbüren. Ze woonden eerst in Krüssel (Wesuwe). Bij hen thuis was ook een zuster van vrouw Jansen, Maria Elisabeth Lagemann, op 28-7-1836 geboren te Bruchterbeck. De Jansens hadden één dochter. Hier werd nog tweemaal een levenloos kind geboren. Deze familie verhuisde kort na 1882 naar Bargeroosterveld. Maria Anna Lagemann overleed op 18-1-1893. Bernard Jansen hertrouwde, Emmen 16-11-1893, met Margaretha Robben (96, pagina 116), weduwe Brinkmann. Bernard Jansen overleed op 31-12-1900. De zuster van vrouw Jansen, Elisabeth Lagemann, stierf, ongehuwd, op 13-9-1889 in Bargeroosterveld. Kind Jansen-Lageman:
40. Johann Hermann Brand en Anna Gesina Wilken4-9-1865. De familie Brand werd te Emmen op 4-9-1865 ingeschreven als inwoners van hier, komend van Wesuwe. Harm Brand, op 5-5-1828 geboren in Lathen, getrouwd met Anna Gesina Wilken, geboren op 20-3-1829, eveneens te Lathen. Ze hadden eerst gewoond in Haar (Wesuwe), daarna hebben ze hier een korte tijd gewoond, dan een aantal jaren in Lindloh en daarna weer hier. Ze woonden in de Maatschappij, later zijn ze verhuisd naar Bargeroosterveld. Harm Brand overleed daar op 31-8-1899, zijn vrouw op 30-10-1899. Kinderen Brand-Wilken:
41. Johann Hermann Nieters en Maria Gesina Hermsen5-9-1859. Harm Nieters was op 10-10-1834 geboren in Neusustrum, zijn vader kwam van Apeldorn D. Hij trouwde op 5-9-1865 te Rütenbrock met Maria Gesina Hermsen, in Rütenbrock geboren op 22-7-1840. Bij dit huwelijk staat Compascuum als hun toekomstige woonplaats. Ze waren hier landbouwers in het Voor-Compas. Maria Gesina Hermsen overleed op 24-6-1913, Harm Nieters op 18-5-1914. Hun vijf dochters zijn hier getrouwd, de vier zonen emigreerden naar de Verenigde Staten; Minnesota en Noord Dakota. Kinderen Nieters-Hermsen:
42. Herman Krieger en Veronica Hussmann6-1-1865. Herman Krieger ( Krieger-Mans ) was op 8-8-1835 geboren te Roswinkel. Zijn vader, geboren in Bawinkel D. was daar kleermaker. Veronica Hussmann was geboren in Ahlen bij Steinbild op 6-2-1839. Haar ouders woonden later in Zandberg. Ze woonden in de Maatschappij toen op 6-10-1865 hun zoon Hindrik geboren werd. Ze trouwden op 13-1-1866 te Emmen en op 25-2-1866 in de katholieke kerk te Zandberg. Tijdelijk, omstreeks 1878, woonden ze in Bargeroosterveld, later woonden ze weer hier. Herman Krieger overleed hier op 3-6-1887. Veronica Hussmann stierf op 25-4-1894 in de Maten. De naam Hussmann werd verhollandst tot Hoesman. Van hen werden hier zes kinderen geboren, vier ervan zijn jong overleden. Het jongste kind ging als 9-jarige naar Hilter D., vermoedelijk als knechtje. De zoon Hindrik werd na de dood van zijn moeder in 1894 in een inrichting geplaatst te 's Hertogenbosch, waar hij 3 jaar later is gestorven. Kinderen Krieger-Hussmann:
43. Johann Heinrich Hoge en Gesina Adelheid Schomaker30-10-1865. De buren die aangifte deden van het overlijden van het kindje Luttel-Kappen (30, pagina 55) op 30-10-1865, waren Jan Hindrik Hoge, 47 jaar en Harm Hindrik Pranger, 55 jaar, naburen , arbeiders in Rundeveen. Het gezin Hoge (3 mannelijke en 2 vrouwelijke personen) was op 12-7-1860 te Emmen ingeschreven, komend van Hardenberg. Of ze hier toen al zijn komen wonen is onduidelijk. Heinrich Hoge was op 3-2-1820 in Hebelermeer geboren. Zijn vader was geboren in Tinnen, zijn grootvader in Westerloh. Hij hoorde tot degenen die naar Slagharen trokken waar toen volop vervening was. Hij trouwde, Ambt Hardenberg 9-2-1847, met Gesina Adelheid Schomaker, weduwe van Jan Hendrik van der Aa. Zij was geboren op 18-7-1810 te Twist. Van haar eerste huwelijk waren twee kinderen, Geert Peter (81, pagina 101) en Maria Katharina, die trouwde met Gerhard Heinrich Hemelt (116, pagina 133). Naar hun stiefvader werden ze soms Hoge genoemd. In Slagharen werd hun zoon Johannes Hendrikus geboren op 30-8-1848. Ze hebben hier niet lang gewoond, in de lijst van pastoor Vroom van 1872 staan ze onder Nw. Dordrecht (Vastenow). Daar zijn ze blijven wonen. De zoon Johannes Hendrikus trouwde, B.C. 12-4-1875 - Emmen 15-6-1875, met Maria Catharina Lantermann, geboren 21-1-1846 in Haren D. Gesina Adeleid Schomaker overleed op 11-7-1877 in Nw. Dordrecht, Heinrich Hoge op 21-4-1908. De zoon Johannes Hendrikus overleed daar op 18-11-1925, zijn vrouw op 8-11-1936. Ze hebben een talrijk nageslacht. Kinderen v.d. Aa-Schomaker:
Kind J. Heinrich Hoge-Schomaker:
Kinderen J. Hendrikus Hoge - M.C. Lantermann:
44. Kornelius Kocks en Anna Helena Müter24-2-1866. Kornelius (of Cornelis, of Cornelus) Kocks, geboren 29-4-1835 in de Maten, trouwde op 24-2-1866 te Emmen en op 5-3-1866 in Nieuw Schoonebeek (kerk) met Anna Helena Müter, te Lindloh geboren op 17-9-1829. De vader van Kocks was geboren in Meppen D., zijn grootvader kwam van Breda - Nrd. Brabant. Als woonplaats gaf Kocks eerst op Rundeveen, later Smeulveen. Vermoedelijk woonden ze in het Smeulveen tussen de Maatschappij en het Bargeroosterveld. Bij het opstellen van de lijst van katholieken van B.C. en Nieuw Dordrecht ( + Bargeroosterveld en Angelsloo) was pastoor Vroom al begonnen om Kocks bij Nieuw Dordrecht in te delen, maar zette hem toen toch onder B.C. Later waren ze landbouwers in Bargeroosterveld. Kornelis Kocks overleed op 3-12-1889, Helena Müter op 28-8-1891. Ze hebben een talrijk nageslacht. Kinderen Kocks-Müter:
45. Derk Wolters en Johanna Boekhoud24-2-1866. Derk Wolters, geboren 21-7-1831 in Vorwald bij Emlichheim, trouwde op 24-2-1866 te Em men met Johanna Boekhoud, op 21-10-1842 geboren in de gemeente Odoorn. Beiden waren toen arbeiders in Rundeveen. Op de lijst van paardenbezitters van 28-5-1867 staat ook Derk Wolters. Hij woonde in de Maatschappij tussen Rabbers (2, pagina 26) en Tubben (14, pagina 38). Op 24-10-1867 werd van hen een tweeling geboren, gevolgd door een dochter op 24-11-1874. Johanna Boekhoud overleed op 16-5-1879. Gerekend naar de aangevers, Kocks (44, pagina 67) en Jan Berend Muller, woonden ze toen dicht bij Bargeroosterveld. Wolters hertrouwde, Emmen 20-7-1880, met Grietien Vreriks, weduwe van Albert Bos van Den Oever. Zij was in 1839 te Emmen geboren. Toen de dochter Geessien in 1900 wilde trouwen kon zij geen toestemming van haar vader overleggen. Derk Wolters was voor enkele jaren geleden vertrokken met onbekende bestemming. Er kwam toestemming van de rechtbank. Kinderen Wolters-Boekhoud:
Kinderen Wolters-Vreriks
46. Johann Theodor Tenfelde en Margaretha Aleida Herbers23-3-1866. Theodor Tenfelde, geboren op 22-2-1842 in Grasdorf bij Neuenhaus, trouwde op 14-4-1863 te Twist met Margaretha Aleida Herbers (soms Herbes), in Nieuw Schoonebeek geboren op 8-8-1838. Ze hebben hier maar kort gewoond, daarna in Amsterdamscheveld (Ellenbeek). Een enkele keer werd de naam verschreven tot Ten Velde. Vrouw Tenfelde-Herbers overleed op 16-5-1901. Tenfelde stierf op 30-1-1931 in Munnekemoer bij Ter Apel. Ze hebben een talrijk nageslacht. Om onduidelijke redenen gaf Tenfelde in Emmen altijd Johan Heinrich als voornamen op. Enkelen deden dat omdat ze in Duitsland gezocht werden. Kinderen Tenfelde-Herbers:
47. Johann Bernard Wilken en Anna Adelheid Nögel1-5-1866. Wilken pachtte op 25-10-1865 8 ha grond op plaats 28 met de verplichting van woningbouw en bewoning voor 1-5-1866. Hij woonde toen nog in Hebelermeer. Jan Berend Wilken, geboren op 26-2-1836 te Hebelermeer, trouwde in Rütenbrock op 22-10-1867 met Anna Adelheid Nögel, geboren 17-1-1844 in Schwartenberg. Hij heeft hier eerst alleen gewoond in een keet aan de Runde op plaats 28. Al gauw kocht hij 8 ha grond van van Holthe tot Echten op plaats nr. 27 en daarop werd een boerderij met café en winkel gebouwd. Het is daar lang het middelpunt van B.C. geweest. In Juni 1921 brandde door blikseminslag het oude pand af. Adelheid Nögel overleed op 16-9-1896, zij werd als eerste begraven op het nieuwe deel van het oude kerkhof. Jan Berend Wilken is oud geworden, hij stierf op 30-3-1928. In 1872 dienden bij hen Gerhard Heinrich Lübbers (107, pagina 126), Maria Schulte, 19 jaar en Anna Gesina Brinkmann, 17 jaar. De laatste twee komen verder hier niet voor. Kinderen Wilken-Nögel:
Figuur Familie Wilken-Nögel 1895 Toelichting: Zittend voor v.l.n.r. Griet Wilken, Geert Nögel, Jan-Berend Wilken, Anna Adel heid N ögel, staand achter v.l.n.r. Engel Wilken, Anna Wilken, Lena Wilken, Bernard Wilken, Thecla Wilken en staand rechtsvoor Geert Wilken 48. Jan Meendering1-5-1866. Jan Meendering, in 1838 geboren te Onstwedde, werd op 1-5-1866 te Emmen ingeschreven. Waar hij hier gewoond heeft was niet te vinden. Hij trouwde op 19-9-1872 te Emmen met Geertje Meijering (15, pagina 39). Ze hebben lang in de Maatschappij gewoond, later zijn ze verhuisd naar Bargeroosterveld. Jan Meendering overleed daar op 10-3-1912. Geertje Meijering hertrouwde, Emmen 8-5-1913, met Harm Hoving, in 1850 te Emmen geboren. Harm Hoving overleed op 4-6-1920, Geertje Meijering op 14-10-1929. Kinderen Meendering-Meijering:
49. Gerhard Heinrich Gerving en Anna Margaretha Henrica Kappen14-7-1866. Heinrich Gerving was op 20-11-1822 geboren in Wessum bij Ahaus (ten Z. van Gronau). Hij was ergens getrouwd met Margaretha Kappen, op 6-8-1832 geboren in Hebelermeer. Op 1-7-1881 trouwden ze nog eens te Emmen, waarbij hun negen kinderen gewettigd werden. Ze hadden eerst in Exloërveen, gemeente Odoorn, gewoond. Gerving huurde op 14-7-1866 vier ha grond op plaats 42, ze woonden hier toen al. In Exloërveen waren vijf kinderen geboren, waarvan er één jong overleed. Hier werden ook nog vijf kinderen geboren, één ervan is hier gestorven. In 1883 vertrok het gezin Gerving naar Michigan in de Ver. Staten. Later woonden ze in North Dakota. Gerving overleed op 21-10-1899 in Glen Ullin ND., zijn vrouw stierf daar op 30-8-1909. Kinderen Gervin-Kappen:
50. Harm Klasens en Wemeltien Siebring30-9-1866. Harm Klasens, geboren 16-9-1832 in de gemeente Odoorn, trouwde daar op 12-6-1858 met We meltien Siebring, in Gasselte geboren op 4-4-1836. Ze waren landbouwers in Exloërveen, daar werden hun drie kinderen geboren, de laatste op 6-8-1866. Twee maanden later woonden ze hier aan de Schoolweg-Zuid. In Emmen werden ze pas op 13-11-1867 ingeschreven. Harm Klasens overleed hier op 8-3-1868, 35 jaar oud. Zijn vrouw keerde terug naar Exloër veen. Zij hertrouwde, Odoorn 12-10-1874, met Klaas Klasens, een broer van Harm. Zij over leed op 27-3-1880 in Exloërveen. Kinderen Klasens-Siebring:
51. Maria Adelheid Bolk14-1-1867. Adelheid Bolk, op 6-11-1833 geboren te Hebelermeer, verbleef in B.C. toen haar zoon Geert Harm geboren werd. Zij was toen ten huize van Lucas Falke (52, pagina 75). De geboorte werd in Emmen aangegeven door hun buurman Jan Berend Jansen (39, pagina 62), 44 jaar, arbeider in Rundeveen. Het kind stierf op 24-3-1867. Later was Aleid Bolk getrouwd met Johann Heinrich Brokmann, geboren in Hebelermeer op 24-6-1828. Hij woonde in Nw. Dordrecht en was weduwnaar. Tijdelijk hebben ze ook in B.C. gewoond, later weer te Nw. Dordrecht. Omdat ze niet voor de Burgerlijke Stand getrouwd waren werden hun kinderen als onwettig beschouwd en heetten ze Bolk. Adelheid Bolk overleed in Nw. Dordrecht op 30-3-1878, Heinrich Brokmann stierf op 15-1-1925 in Rühlermoor. Kind M.A.Bolk:
Kinderen Brokmann-Bolk:
52. Lucas Falke14-1-1867. De Lucas Falke, die in het vorenstaande bedoeld werd, was geboren te Hebelermeer op 28-1-1839. Hij overleed hier, ongetrouwd, op 27-11-1867 ten huize van zijn zwager Hermann Wester (29, pagina 54). Ook de vader van Lucas Falke heeft hier een korte tijd gewoond, misschien woonden ze sa men. Dat was Bernard Lucas Falke, in 1796 geboren te Elbergen, parochie Emsbüren. Hij was weduwnaar van Anna Margaretha Wübker. Dochters van hen waren o.a. Maria Adelheid, getrouwd met Bernard Heinrich Hölscher, die hier later ook woonden, Maria Gesina, gehuwd met Hermann Wester (29, pagina 54) en Anna Catharina, getrouwd met Johann Carl Rass (53, pagina 76). Bernard Lucas Falke moet al gauw weer vertrokken zijn naar Hebelermeer, waar hij op 20-2-1871 overleed. 53. Johann Carl Rass en Anna Catharina Falke12-3-1867. Op 23-3-1860 verhuurden de Bargerboeren nog boekweitveen in hun Compascuum. Tot de huurders behoorde ook Jan Rass, landbouwer te Vastenow (Nieuw Dordrecht). Ook bij de ge boorteaangiften van hun kinderen in 1862 en 1864 gaf Rass als woonplaats op Vastenow. Bij de geboorte van Jan Berend op 12-3-1867 werd Rundeveen opgegeven als woonplaats. Johann Carl (Jan) Rass was op 12-2-1829 geboren in Neuversen. Anna Catharina Falke was in Hebelermeer geboren op 23-9-1836. Ze trouwden op 15-9-1862 in de kerk te Nieuw Schoonebeek, maar zijn om de een of andere reden eerst op 3-4-1896 te Emmen voor de Burgerlijke Stand gehuwd. Toen konden nog alleen de drie jongste kinderen gewettigd worden, de anderen waren te oud en behielden de naam Falke of Valke. Hier woonden ze op grond die aan de boeren van Hebelermeer was afgestaan en aan de fami lie Falke was toegewezen. Die grond lag op het zuideinde van Compascuum bij de Beek, het Martelsdiepje. Daar woonde later de zoon Berend Hendrik. Jan Rass werd op 9-7-1899 door de bliksem gedood, zijn vrouw overleed op 27-12-1915 te Emmerschans bij een dochter. De meeste kinderen woonden in Zwartemeer. Er zijn veel nakomelingen. Kinderen Rass-Falke:
54. Johann Engelbert Gebbeken en Maria Catharina Rüschen24-3-1867. Gebbeken werd op 16-6-1825 in Hebelermeer geboren en als Johann Engelbert gedoopt. Later schreef men van Johann Heinrich. Hij kreeg als huisnaam Büter, omdat zijn stiefvader Buter (55, pagina 78) was. De schrijfwijze in Duitsland was Büter, in Nederland Buiter of Buter. Hij trouwde op 18-11-1851 te Wesuwe met Maria Catharina Rüschen, op 22-6-1831geboren in Hebelermeer. Ze woonden eerst in Hebelermeer en in Haar (Wesuwe) voor ze naar hier kwamen. Gebbeken hoorde tot de buren die het overlijden van het kindje Bolk (51, pagina 75) aangaven. De naam Gebbeken werd hier verschreven tot Gepken. Ze woonden aan de Schoolweg-Zuid. Twee zoons en een dochter zijn naar Amerika gegaan. De zoon Franz overleed als 10-jarige op 30-7-1876. Hij werd als eerste begraven op het nieuw aangelegde kerkhof. Hij was hier ook de eerste misdienaar. Gebbeken was hier lang kerkmeester. Het echtpaar is later naar Erica verhuisd waar toen een dochter woonde. Catharina Rüschen overleed daar op 13-12-1914, Gebbeken op 13-2-1917. Kinderen Gebbeken-Rüschen:
Bron Ellen Volleman 55. Henricus Josephus Buter en Gesina Adelheid Haarmann24-3-1867. Buter, geboren in Westerbroek, gemeente Hoogezand, gedoopt op 12-7-1805 te Kleinemeer (Hoogezand). De pastoor van Kleinemeer schreef Buiter. Zijn vader kwam van Wesuwe, zijn moeder van Niederlangen. Hij trouwde op 19-10-1830 in Wesuwe met Gesina Adelheid Haarmann, geboren 4-6-1802 te Hebelermeer. Zij was weduwe van Johann Heinrich Gebbeken, geboren 19-12-1799 in Rühle, overleden op 24-12-1829 in Hebelermeer. Van dat huwelijk waren twee kinderen; Johann Engelbert (54, pagina 77) en Maria Gesina. Het huwelijk van Buter bleef kinderloos. Na in Hebelermeer gewoond te hebben zijn ze met haar zoon naar hier gekomen en woonden ze bij elkaar. Gesina Adelheid Haarmann overleed op 10-2-1880, Buter stierf op 15-4-1887. 56. Jan Hindrik Bruining en Anleenke Brinkman2-4-1867. Hendrik Bruining was op 29-1-1844 te Zandberg geboren, zijn vrouw was daar geboren op 28-11-1840. Beiden van Duitse herkomst; Brüning en Brinkmann. Vermoedelijk waren ze ergens voor de Kerk getrouwd. Hier werd op 2-4-1867 hun dochter Margaretha geboren. In Emmen trouwden ze op 31-3-1871, waarbij hun twee kinderen wer den gewettigd. Bruining (Brüning) kwam uit een smedenfamilie uit Hemsen, hij werd daarom wel Smid-Hinne genoemd. Zijn vader, Johann Hermann Brüning, geboren in Hemsen op 13-2-1812, overleed hier bij zijn zoon op 4-3-1887. Deze familie heeft hier op meerdere plekken gewoond, eerst in de buurt van het Zwartemeer, het laatst in de Maatschappij. Anleenke (Anna Helena) Brinkman overleed hier op 23-5-1909, Bruining was later scheper in Tuntel, daar is hij gestorven. Kinderen Bruining-Brinkman:
Figuur Harm Harms (Appel Harm) Bron Gerard Steenhuis 57. Wed. Helena Margaretha Suelmann - Schmitz1-5-1867. Helena Margaretha Schmitz, geboren 23-12-1806 in Rütenbrock, trouwde daar op 26-5-1829 met Johann Gerhard Suelmann, in Lindloh geboren op 30-8-1794. Zij vestigden zich in Zand berg, waar toen de bewoning op gang kwam. Daar werden hun kinderen geboren. De naam Suelmann werd in Odoorn verbasterd tot Suilman en Zoelman. Geert Suelmann overleed te Zandberg op 25-4-1866. Een paar maanden later huurde de oud ste zoon, Jan Harm Zoelman, hier een deel van plaats 12 in het Voor-Compas, met de ver plichting daar een woning op te bouwen voor 1-5-1867. Ze hebben lang in het Voor-Compas gewoond. Ook deze familie werd Kloeten genoemd, de huisnaam die uit Lindloh was mee genomen. De wed. Suelmann-Schmitz overleed op 25-9-1885. De zoons bleven daar ongehuwd wonen. De oudste dochter, Maria Tecla, of Marija Thekela, zoals ze in Odoorn ingeschreven werd, trouwde met Bernard Heinrich Berens ( Scheper-Hendrik ). De andere dochter heeft in Lind loh gewoond. Kinderen Suelmann-Schmitz:
58. Jan van der Spoel en Annechien Klasens1-5-1867. Jan van der Spoel, geboren 15-10-1834 te Borger, trouwde op 26-10-1865 in Odoorn met An nechien Klasens, in Exloërveen geboren op 8-8-1842. Van der Spoel was eerst landbouwer in Exloërveen. Op 14-7-1866 pachtte hij hier een ge deelte van plaats 41 met de bekende verplichting van woningbouw. Ze zijn hier blijven wonen. Achtereenvolgends overleden; Jan van der Spoel op 3-7-1883, de oudste zoon, 19 jaar oud, op 3-4-1885 en Annechien Klasens op 18-1-1894. De zoon Harm verdronk in het Süd-Nordkanal op 12-8-1898. Kinderen van der Spoel-Klasens:
59. Jan Hendrik Wagenaar en Geertje Vonk2-5-1867. Jan Hendrik Wagenaar, geboren 26-10-1799 in Emlenkamp (Emlichheim), trouwde op 20-12-1831 te Dalen met Geertje Vonk, in Orvelte geboren op 4-4-1807. Hij was toen boerenknecht in Veenhuizen (Dalen), zij was dienstmeid in Pathuis (Coevorden). Hun kinderen werden geboren in de gemeente Dalen, in 1857 verhuisden ze naar de gemeente Emmen. Toen de zoon Johannes trouwde op 2-5-1867 woonden zijn ouders te Rundeveen, in de Maat schappij. Vermoedelijk woonden ze hier al langer. In of na 1874 zijn ze verhuisd naar Emmen of Noordbarge. Wagenaar overleed op 28-3-1880, ze woonden toen in het armenhuis te Emmen, Geertje Vonk verdronk op 19-8-1888 in Noordbarge. Kinderen Wagenaar-Vonk:
60. Albert Smid en Anna van der Spoel29-5-1867. Albert Smid, geboren 21-7-1834 te Stadskanaal, trouwde op 14-5-1864 in Odoorn met Anna van der Spoel, op 12-9-1839 geboren in Buinerveen, gemeente Borger. Ze waren eerst landbouwers in Valtherveen. Uit een overlijdensaangifte van 29-5-1867 blijkt dat ze toen hier woonden, in de buurt van Robben (7, pagina 31). Smid (soms Smit) pachtte op 12-9-1868 vier ha grond op plaats 82 in het Barger Oosterveen, ten westen van de Runde. Er moest voor 1-5-1869 een woning op gebouwd worden. Rond 1900 woonden ze in Nieuw Dordrecht, later woonden ze in Zwartemeer. Daar hebben ook hun meeste kinderen gewoond, de zoon Albert als caféhouder en Hendrik als postkantoorhouder. Albert Smid overleed op 3-9-1906 te Zwartemeer, Anna van der Spoel stierf daar op 18-4-1915. Kinderen Smid-van der Spoel:
61. Johann Hermann Hüsers en Tecla Schulte5-6-1867. Harm Hüsers (hier Husers), op 11-8-1828 geboren te Rütenbrock, trouwde daar op 12-5-1857 met Tecla Schulte, geboren 19-2-1831, ook in Rütenbrock. Ze woonden eerst in Exloërveen, daar werden hun kinderen geboren. In Emmen werden ze op 5-6-1867 ingeschreven. De familie Husers woonde hier aan de Streek (Schoolweg) op plaats 17. Harm Husers over leed hier op 3-5-1894, Tecla Schulte is daarna vertrokken naar Rütenbrock. Kinderen Hüsers-Schulte:
62. Johann Hermann Heinrich Conen en Maria Gesina Koop13-8-1867. Harm Conen, geboren 14-4-1833 te Altenberge, trouwde op 24-4-1860 in Rütenbrock met Maria Gesina Koop, ook in Altenberge geboren, op 31-7-1837. Ze woonden eerst in Altenberge, daarna in Exloërveen. Ze werden in Odoorn op 13-8-1867 uitgeschreven, gaande naar Emmen. Hier woonden ze aan de Schoolweg op plaats 20. Maria Gesina Koop overleed hier op 24-11-1910, Harm Conen op 28-8-1915. Hij stond bekend als een goede verteller. De zoon Frans heeft eerst hier gewoond en vertrok naar Wesuwermoor. Twee andere zoons woonden hier langer en vertrokken naar Amsterdamscheveld (later Weiteveen). Kinderen Conen-Koop:
63. Johann Hermann Rolfes en Maria Margaretha Kemper25-10-1867. Harm Rolfes, op 12-11-1823 geboren in Bokholt (Wesuwe), trouwde op 20-4-1861 te We suwe met Margaretha Kemper, in Dankern geboren op 23-6-1831. Ze hebben eerst in Bokholt gewoond, daar overleed op 21-6-1866 nog een kind van hen. Hier werd op 25-10-1867 de zoon Geert geboren, die jong overleed. Ze woonden vooraan in de Maatschappij, ook de zoon en kleinzoon hebben daar gewoond. De dochters vertrokken naar Duitsland. Margaretha Kemper overleed op 24-11-1891, haar man stierf vijf dagen later, op 29-11-1891. Kinderen Rolfes-Kemper:
64. Bernard Heinrich Brümmer en Maria Helena Weinans12-12-1867. Brümmer, op 24-5-1819 geboren in Dankern, trouwde te Wesuwe op 26-10-1852 met Maria Helena Weinans, geboren 3-10-1825 in Rütenbrock. Hun oudste kinderen werden in Altharen en Düne geboren. Hier werd op 12-12-1867 de dochter Maria Gezina geboren. Ze woonden hier dicht bij het Zwartemeer. Maria Helena Weinans overleed al op 19-9-1873. De oudste dochter trouwde in 1877 te Hebelermeer. De hele familie emigreerde in 1878 via Duitsland naar de Verenigde Staten, Minnesota (MN). Brümmer overleed daar op 21-3-1888 in Glencoe MN. Twee zoons droegen later de naam Bremmer. Veel nakomelingen wonen in Aitkin MN. Kinderen Brümmer-Weinans:
65. Hermann Backs en Catharina Bernsen29-11-1867. Hier werd op 29-12-1867 een Jan Berend geboren, zoon van Catharina Berensen (Bernsen), in 1842 geboren te Hesepertwist. Zij was ten huize van Harm Backs, in 1834 geboren te Tuntel. Een buurman, Johann Heinrich Kuhl (66, pagina 88) gaf het kind aan te Emmen op 14-1-1868. Op 18-3-1868 werd door de rechtbank te Assen Harm Backs, 34 jaar, arbeider in Rundeveen, veroordeeld tot ƒ1,- boete en betaling van ƒ3,81 aan kosten. Dit wegens verzuim om binnen 3 dagen na een bevalling aangifte te doen van een kind, zijn zoon. De moeder, Catharina Berensen, wonend in Pruisen, verbleef in zijn huis. Ze waren beiden voor enige maanden uit Hannover gekomen om zich hier te vestigen. Ze hadden gehuisd in een door hen opgerichte keet waarin het bedoelde kind was geboren. Behalve de vader, Harm Backs, was een buurvrouw bij de geboorte aanwezig geweest. Tenslotte had een buurman het kind aangegeven. In Juli 1868 werden ze bij Hebelermeer over de grens gezet omdat ze geen middelen van bestaan hadden. Kind Backs-Bernsen Jan Berend * 29-11-1867 66. Johann Heinrich Kuhl en Maria Helena Kosse29-12-1867. Heinrich Kuhl, geboren 4-12-1821 in Groß Fullen, trouwde op 5-8-1845 te Meppen met Maria Helena Kosse (of Cosse), op 18-3-1821 geboren in Wesuwe. Ze hadden eerst in Groß Fullen gewoond, op 18-2-1865 overleed daar nog een kind van hen. In 1867 woonden ze hier, Kuhl was de buurman die tenslotte het kind aangaf van Backs-Bernsen (65, pagina 87). Hier woonden ze aan de Schoolweg-Zuid, ongeveer halfweg de kerk en het Zwartemeer. Helena Kosse overleed op 2-10-1898, Heinrich Kuhl stierf op 13-2-1901. Er zijn talrijke nakomelingen. Kinderen Kuhl-Kosse:
67. Johann Hermann Hofmann en Euphemia Catharina Enhus25-4-1868. Hofmann, op 8-10-1835 geboren in Altenberge, trouwde op 24-10-1863 in Ambt Hardenbergh met Euphemia Catharina Enhus, geboren 8-9-1835 te Hesepertwist. Ze woonden hier nog maar kort toen op 25-4-1868 hun zoon Antoon Otto geboren werd. Bij de aangifte in Emmen gaf Hofmann op arbeider te zijn in Slagharen. Het kind werd geboren ten huize van Jan Hindrik Bruining (56, pagina 78). Het kind stierf op 21-10-1868 en vrouw Hofmann-Enhus overleed op 26-12-1868. Zij werd te Wesuwe begraven. Hofmann is daarna vertrokken. In 1883 is hij hier weer komen wonen. Hij was hertrouwd met Aleida ter Brake, geboren in Ootmarsum op 1-5-1840. Van hier zijn ze verhuisd naar Munsterscheveld. Hofmann overleed daar op 16-5-1907, Aleida ter Brake op 5-8-1922. Er zijn geen kinderen van bekend. Kind Hofmann-Enhus: Antoon Otto * 25-4-1868 + 21-10-1868 68. Johann Heinrich Jasken en Maria Helena Segbers27-5-1868. Heinrich Jasken, op 15-10-1831 geboren te Versen, trouwde in Onstwedde op 16-5-1863 met Maria Helena Segbers, geboren 29-9-1824 in Osteresch (Altharen). Helena Segbers was eer der getrouwd geweest, Onstwedde 3-5-1852, met Gerhard Heinrich Wielage, in 1815 geboren te Klosterholte D. Van dat huwelijk waren twee kinderen. Wielage overleed op 27-5-1861 in Horsten. De familie Jasken werd op 27-5-1868 ingeschreven te Emmen. Ze hadden eerder in Horsten gewoond. Hier woonden ze dicht bij het Zwartemeer. Ze hebben hier niet lang gewoond en vertrokken naar Schöninghsdorf, dat toen in opkomst was. Hendrik Jasken overleed op 14-11-1911 in het ziekenhuis te Meppen. Kinderen Wielage Segbers:
Kinderen Jasken Segbers:
Toelichting: Staand v.l.n.r. Lena, Catharina, Anna, Leida. Zittend: Roelf, Susanna Aleid (Sanke) Zwake-Wielage en Hendrik. 69. Jannes Klingenberg en Zwaantien Jalving17-6-1868. Jannes Klingenberg, op 22-9-1831 in Sleen geboren, trouwde te Oosterhesselen op 28-10-1857 met Zwaantien Jalving, geboren 5-4-1831 in Zweeloo. Hij was toen boerenknecht te Oosterhesselen, haar vader was daar boer. Ze woonden eerst in Noord Sleen, daar werden hun kinderen geboren. In Emmen werden ze op 17-6-1868 ingeschreven. Ze hebben hier in de buurt van Robben (7, pagina 31) gewoond. Jannes Klingenberg overleed op 5-7-1877. Zijn vrouw hertrouwde, Emmen 24-10-1878, met Hindrik Lubbers, geboren 22-11-1818 in Dalen, van beroep dekker of rietdekker. Ze zijn hier blijven wonen. Zwaantien Jalving stierf op 25-9-1893. Hindrik Lubbers was eerder getrouwd geweest met Trientien Geerts. Hij overleed op 28-5-1900 in Zwartemeer ten huize van zijn stiefzoon Jan Klingenberg. Kinderen Klingenberg-Jalving:
70. Marten Bos en Grietje Ameln29-7-1868. Marten Bos, geboren 23-4-1835 te Veendam (Ommelanderwijk), trouwde op 29-7-1868 in Emmen met Grietje Ameln (Amelen), op 3-10-1836 in Zandberg geboren. Bos was toen arbeider in Rundeveen. Ze woonden in de Maatschappij. Marten Bos overleed op 23-11-1903, Grietje Amelen (eigenlijk Margaretha Ameln) stierf op 14-9-1915. Van de zoon Hendrik zijn hier veel nakomelingen. Kinderen Bos-Ameln:
71. Bernard Heinrich Albers en Maria Elisabeth Wewers12-9-1868. Albers, op 15-4-1830 in Rühlertwist geboren, trouwde op 31-1-1860 te Twist met Maria Elisabeth Wewers, ook in Twist geboren, op 3-4-1834. Na eerst in Rühlertwist gewoond te hebben woonden ze hier, dicht bij het Zwartemeer. Op 12-9-1868 huurde Albers, toen arbeider te Compascuum, een perceel grond ten westen van de Runde (Barger Oosterveen), met de verplichting er een woning op te bouwen. Elisabeth Wewers overleed op 14-3-1869. Albers hertrouwde, Hebelermeer 13-8-1869, met Euphemia Maria Schulte (21, pagina 46). Bernard Heinrich was een zoon van Johann Bernard Albers (72, pagina 93). Misschien zijn ze tegelijk naar hier gekomen. Later woonde de vader bij hen in. De huisnaam van deze familie was Pallers. Bernard Heinrich Albers overleed op 26-1-1880. Zijn vrouw hertrouwde op 20-4-1885 in B.C. met Jan Hermsen (Bil-Jan), geboren in de Maten op 27-9-1841. Zij overleed op 26-2-1899 in B.C., Jan Hermsen stierf hier op 2-2-1918. De zoon Jan Berend woonde in Zwartemeer, later in Duitsland. De andere kinderen zijn ook vertrokken, sommigen naar Amerika. Kinderen Albers-Wewers:
Kinderen Albers-Schulte Maria Elisabeth * 1-9-1870 B.C. +17-10-1871 B.C. Bernard Heinrich *28-12-1872 B.C. --- Bernard Herman * 11-7-1876 B.C. --- 72. Johann Bernard Albers en Anna Maria Wolters.12-9-1868. Bernard Albers, geboren 13-12-1801 in Hesepertwist, trouwde op 7-2-1826 te Twist met Anna Maria Wolters, op 23-1-1801 geboren in Klein Hesepe. De vader van Albers heette eerst Heidenrick, later Albers. Hun kinderen werden in Rühlertwist geboren. Albers woonde hier in de buurt van het Zwartemeer. Op de lijst van 1872 staat bij de oude Albers alleen de zoon Johann Bernard vermeld. Anna Maria Wolters overleed op 20-12-1869, Bernard Albers stierf in Zwartemeer op 28-10-1882. Van de kinderen heeft alleen Bernard Heinrich (71, pagina 92) hier blijvend gewoond, de jongste zoon, Gerhard Heinrich woonde hier een aantal jaren. Kinderen Albers-Wolters:
73. Hette Nuismer en Alberdina Pol13-9-1868. Hette Nuismer, geboren 13-3-1834 in de gemeente Leek, trouwde op 5-6-1860 te Emmen met Alberdina Pol, op 13-5-1830 geboren in Assen. Zij was toen weduwe van Christiaan Hein Moes. Nuismer was arbeider in Zuidbarge en Oranjedorp voor hij naar hier kwam. Ze woonden in de Maatschappij, hier werd op 13-9-1868 hun dochter Trientje geboren. Nuismer was hier al gauw onbezoldigd rijksveldwachter en als zodanig trad hij op in de zaak tegen Arend Strijks (12, pagina 36). In Februari 1870 verzocht Nuismer, arbeider te Compascuum, aan B.en W. van Emmen om politiebediende te worden in Compascuum. Dat is om financiële redenen niet doorgegaan. Ze zijn in 1870 vertrokken naar Oranjedorp en van daar in 1871 naar Westerbork. Hij was later brugwachter in Elperbrug. Nuismer overleed daar op 2-12-1902, zijn vrouw op 25-2-1908. Kinderen Nuismer-Pol:
74. Hermann Wilhelm Veltrup en Maria Bos14-9-1868. Wilhelm Veltrup, hier Willem Veltrop, geboren 2-2-1812 te Emlichheim, trouwde op 1-5-1835 in Gramsbergen met Maria Bos, in Ballast gemeente Coevorden geboren op 29-3-1806. Ze woonden eerst in de gemeente Dalen en in Slagharen. De overlijdensaangifte van Johannes Haitel (13, pagina 37) op 14-9-1868 werd gedaan door de buren Willem Veltrop, 57 jaar en Willem Vos, 31 jaar, arbeiders in Rundeveen. Het gezin Veltrop heeft in de Maatschappij gewoond, vóór 1872 waren ze weer vertrokken. Later waren ze landbouwers in Roswinkelermarke. Maria Bos overleed op 29-11-1881, Willem Veltrop stierf enkele weken later, op 24-12-1881. Met het huwelijk van hun dochter Johanna Christina was iets merkwaardigs. Op 1-11-1869 trouwde zij in de kerk te Erica met een Bernard Herman Diek. Met die naam staat hij in het trouwboek en is hij jarenlang te vinden in de Burgerlijke Stand. Hier werd nog een kind van hen geboren, toen verhuisden ze naar Ter Apelkanaal. Ook hun volgende drie kinderen werden aangegeven door Bernard Herman, terwijl de pastoor van Zandberg Wilhelm Dik als vader opschreef. Op 19-10-1878 trouwden Johann Wilhelm Dik en Johanna Christina Veltrop in Vlagtwedde, waarbij hun vier kinderen werden gewettigd. Wilhelm Dik werd in Duitsland gezocht als deserteur en had daarom de naam van zijn broer opgegeven. Kinderen Veltrup-Bos:
75. Johann Gerhard Wübben en Maria Tecla Ahlers 21-10-1868. Geert Wübben (huisnaam Rikken ) op 8-2-1839 te Rütenbrock geboren, trouwde op 15-11-1866 in Wesuwe met Tecla Ahlers, in Haar (Wesuwe) geboren op 24-5-1841. De Wübbens stamden van Oberlangen. Ze hebben eerst nog in Haar gewoond, hier woonden ze dicht bij het Zwartemeer. Wübben was één van de buren die het overlijden van het kindje Hofmann (67, pagina 89) op 21-10-1868 aangaven in Emmen. Zijn schoonvader Hermann Joseph Ahlers, geboren 5-2-1800 te Wesuwe, woonde bij hen. Hij was weduwnaar van Maria Angela Müller. Hij overleed hier op 19-2-1871. De zoon Joseph was hier de eerste kerkorganist. Hij trouwde met Helena Adelheid Meijer van Hebelermeer. Hij vertrok met zijn gezin en zijn ouders in 1897 naar Hebelermeer. Ook daar was hij organist en koster. Hij verdronk in 1915 in het Van Echtenskanaal te Zwartemeer. De ouders Wübben zijn in Hebelermeer gestorven. Kinderen Wübben-Ahlers:
76. Johann Hermann Gerdes en Anna Geertruida Clements .-10-1868. Hermann Gerdes, op 3-10-1819 geboren in Schwartenberg, trouwde op 20-4-1847 te Rüten brock met Geertruida Clements, in Groningen geboren op 25-2-1818. Zij was toen diensmeid in Rütenbrock. De pastoor van Rütenbrock schreef Anna Walbürgis Kleemann. Haar vader, Willem Clements, was geboren in Wahn D. De vader van Gerdes was geboren in Bawinkel. Soms leest men in Rütenbrock Gers in plaats van Gerdes, daarom schrijven de nakomelingen hun naam ook verschillend. Ze woonden eerst in Lindloh. Volgens een opgave van Gerdes zijn ze in October 1868 naar hier gekomen. Ze hebben eerst aan de Schoolweg gewoond op plaats 28. Daar huurde Gerdes een deel van op 6-10-1870 met de verplichting tot woningbouw. Later woonden ze achter in de Maatschappij. Ze hadden de huisnaam Botkes, ook nu is die naam nog bekend. Geertruida Clements overleed hier op 16-1-1893. Harm Gerdes stierf een dag later, op 17-1-1893. Drie zoons woonden later in Bargeroosterveld. Kinderen Gerdes-Clements:
77. Johann Rudolf Thole3-11-1868. Rudolf Thole, geboren 11-4-1838 te Sustrum D., trouwde op 3-11-1868 in Rütenbrock met Anna Adelheid Albers, op 5-3-1834 geboren in Twist (dochter van 72). Thole was toen knecht in Altenberge. Bij dat huwelijk staat Compascuum als toekomstige woonplaats. Ze hebben hier maar een korte tijd gewoond. Ze werden op 12-4-1869 over de grens gezet met als reden geen middel van bestaan. 78. Johann Franz Brokmann en Anna Maria Kolmer 3-11-1868. Frans Brokmann, geboren in Hebelermeer op 7-8-1835, trouwde op 3-11-1868 te Wesuwe met Anna Maria Kolmer (of Kollmer), ook in Hebelermeer geboren, op 26-11-1843. Bij hun huwelijk staat Compascuum als hun toekomstige woonplaats. Frans was een zoon van Gerhard Heinrich Brokmann (91, pagina 111). Ze woonden hier eerst dicht bij het Zwartemeer, later in Zwartemeer. Franz Brokmann overleed op 27-2-1891. Maria Kolmer hertrouwde op 22-9-1893 te Emmen met Johann Hermann Vedder in 1840 geboren in Klein Ringe. Vedder overleed op 13-3-1905 in B.C. Maria Kolmer trouwde nog eens, Emmen 26-4-1906, met Johann Hermann Berens (95, pagina 115). Zij overleed op 17-8-1923 in B.C. De naam van de zoon Geert Hindrik werd in Emmen verschreven tot Broekmann, de zoon Hermann Heinrich werd hier Brockman. Hij heeft in Schoonebekerveld gewoond. Kinderen Brokmann-Kolmer:
79. Hendrik Karel Frederik Emilius van den Bosch en Grietje Glas3-12-1868. Hendrik van den Bosch, op 27-7-1819 geboren te Coevorden, trouwde op 7-4-1860 in Dalen met Grietje Glas, geboren 30-10-1839 in Schoonebeek. Van den Bosch was toen onderwijzer in Nieuw Schoonebeek, in 1864 werd hij hoofd van de school te Vastenow (Nieuw Dordrecht). Op zijn verzoek werd hij op 9-9-1868 benoemd tot hoofd van de dan in aanbouw zijnde school te B.C. Op 3-12-1868 werd het gezin van den Bosch door de bevolking van 't Compas feestelijk opgehaald van Nieuw Dordrecht en kon meester Bosch hier zijn werk beginnen. 's Zomers had hij het gemakkelijk, de meeste kinderen waren dan als 'kouheer' bezig, vooral bij boeren in Duitsland. Of ze hielpen thuis bij het werk, maar tegen de winter had hij zoveel temeer leerlingen, rond 1890 groeide dat aantal wel tot 100. Wel was er veel verzuim, er was geen leerplicht. Ook kinderen van Zwartemeer gingen hier naar school. Naast zijn onderwijzerstaak maakte hij zich ook op andere wijze verdienstelijk voor B.C. Wanneer er b.v. weer een weg of een Rundebrug in te slechte staat verkeerde, schreef meester Bosch weer naar het gemeentebestuur en naar de eigenaren van B.C. In 1893 vroeg van den Bosch ontslag wegens moeilijkheden met zijn gezondheid. Hij was toen 74 jaar. Het pensioen was ƒ500,- per jaar. Ze vertrokken naar Klazienaveen. Meester Bosch, zo werd hij hier altijd genoemd, overleed op 1-10-1895. Zijn vrouw stierf te Nieuw-Dordrecht op 19-5-1902 bij een dochter van hen. Kinderen van den Bosch-Glas:
Figuur Familie Jeurissen-van den Bosch ±1926 Bron Karin Eekelschot Toelichting: Onderste rij v.l.n.r. Grietje Jantina Nibbering-Jeurissen, Harmina Eekelschot, Jan Willem Jeurissen, Johanna Gesina Jeurissen-van den Bosch, Johanna Gesina (Jo) Hensbergen-van den Bosch, Gerrit (Gerard) Hensbergen. Bovenste rij v.l.n.r. Jan Nibbering, Petrus Eekelschot, Hendrikus Johannes (Riekus) Jeurissen, Hendrik Karel Frederik Emelius (Henk) Jeurissen, Katrien de Jong-Jeurissen, Thijs de Jong. 80. Jan Berend Bentlage en Maria Helena Koop9-2-1869. Berend Bentlage, op 19-4-1845 geboren in Horsten (Onstwedde), trouwde te Rütenbrock op 30-11-1866 met Maria Helena Koop, geboren 14-12-1841 in Altenberge. Ze trouwden nog eens te Emmen op 19-7-1873 waarbij hun drie kinderen werden gewettigd. Ze werden op 9-2-1869 in Emmen ingeschreven. Hij hoorde tot de talrijke familie Bentlage die via Lindloh stamde uit Bockhoff bij Herzlake. Jan Berend werd grote Bentlage genoemd om hem niet te verwarren met zijn neef en naamgenoot die hier later ook woonde. Ze woonden in de Maatschappij. In 1919 verhuisden ze naar Bargeroosterveld, waar al vier van hun kinderen woonden. Daar overleed Maria Helena Koop op 3-9-1932 en haar man 11 dagen later, op 14-9-1932. Kinderen Bentlage-Koop:
81. Geert Peter van der Aa en Anna Margaretha Meijer11-2-1869. Pieter van der Aa, op 17-6-1841 geboren in Slagharen, was met zijn stiefvader Hoge (43, pagina 66) naar hier gekomen. De grootvader van van der Aa was in Rotterdam geboren, trouwde in 1805 te Rütenbrock met de wed. Hüer-Fischer en woonde in Lindloh, later in de Maten. Misschien heeft Pieter hier eerst alleen gewoond in de Maatschappij. Op 11-2-1869 werd een half mud aardappels van hem gestolen door Strijks (12, pagina 36). In de dagvaarding stond zijn naam als Pieter Hoge of van der Aa. Op 3-9-1870 trouwde hij te Emmen met Anna Margaretha Meijer, op 1-1-1837 geboren in Dörpen D. Ze hebben in de Maatschappij gewoond. Van der Aa overleed al op 14-7-1875, hij werd 34 jaar. Zijn vrouw hertrouwde op 12-11-1875 in B.C. (niet in Emmen), met Jan Berend Krops, geboren 25-9-1841 in Horsten. Hun huwelijk was kinderloos. Margaretha Meijer overleed op 12-4-1883, ze woonden toen in Munsterscheveld. Krops hertrouwde. Op de lijst van pastoor Vroom staat een dochter Anna Catharina (Meijer?) vermeld, zij is niet te vinden in het Bevolkingsregister. Zij was hier niet geboren en is vermoedelijk teruggegaan naar Duitsland. De dochter Geziena trouwde te Rütenbrock. Kinderen van der Aa-Meijer:
82. Johann Wilhelm Müller en Maria Catharina Ostermann11-2-1869. Willem Müller, geboren 20-12-1831 te Schwartenberg, trouwde op 6-2-1866 in Rütenbrock met Catharina Ostermann, in Altenberge geboren op 6-7-1841. Hun oudste kinderen werden in Altenberge geboren. Als inwoners van B.C. werden ze genoemd op 11-2-1860 bij de aardappeldiefstal bij van der Aa (81, pagina 101). Ze hebben gewoond in de Maatschappij, later in Bargeroosterveld en in Munsterscheveld. De Müller 's stammen via Schwartenberg van Wahn D. Hier werd de naam soms verschreven tot Möller, Moller of Muller. Catharina Ostermann overleed op 28-4-1901 in Munsterscheveld, Willem Müller stierf te Bargeroosterveld op 19-2-1902. Kinderen Müller-Ostermann:
83. Johannes Brands en Grietje Niezing12-3-1869. Beiden geboren in Smilde, Johannes Brands op 18-9-1834, zijn vrouw op 29-9-1836. Getrouwd in Smilde op 2-2-1860. Ze woonden eerst enkele jaren in de gemeenten Smilde en Assen. Hier hebben ze enkele maanden gewoond ten westen van de Runde bij het Zwartemeer. In Emmen zijn ze op 12-3-1869 ingeschreven en op 21-7-1879 weer uitgeschreven als vertrokken naar Smilde. De oorzaak van dit korte verblijf was dat twee van hun kinderen om kwamen toen op 15-6-1869 hun keet afbrandde. Brands had op 16-2-1869 grond gepacht van van Holthe tot Echten, de westhelft van plaats 120 in het Bargerveen. De pachtprijs voor 10 jaar was 235,-, de grootte 2,50 ha. Het is niet doorgegaan. Ze woonden later in Bovensmilde. Grietje Niezing overleed op 14-2-1898. Kinderen Brands-Niezing:
84. Johann Hermann Kemper en Anna Margaretha Koop 12-4-1869. Harm Kemper, op 26-4-1829 geboren in Dankern, trouwde te Wesuwe op 2-6-1854 met Adelheid Blanke, geboren 3-5-1830 in Rütenbrock. Ze woonden in Düne (Wesuwe). Adelheid Blanke overleed op 9-2-1859. Van dat huwelijk waren drie kinderen. Kemper hertrouwde, Wesuwe 22-5-1860, met Margaretha Koop (Kobs, Koops), op 9-3-1831 geboren te Niederlangen. Na eerst nog in Dankern gewoond te hebben kwamen ze naar hier en woonden aan de Schoolweg op plaats 26. Later woonde Zwake daar, toen woonde Kemper in de Maatschappij. Bij hen verbleef zijn moeder, weduwe Anna Maria Kemper-Felix, geboren 11-5-1785 in Altharen. Zij overleed hier op 12-4-1869. Margaretha Kemper-Koops overleed op 27-1-1895 in de Maatschappij, Kemper stierf op 23-4-1907 in het Zwartenberger-Compascuum. Kinderen Kemper-Blanke:
Kinderen Kemper-Koop:
85. Johann Heinrich Gebbeken en Anna Geertruida Luttel10-5-1869. Hendrik Gebbeken, geboren 27-9-1834 in Hebelermeer, trouwde op 10-5-1869 te Wesuwe met Geertruida Luttel, op 11-10-1845 geboren in Slagharen. Als toekomstige woonplaats staat bij dit huwelijk Compascuum. De Gebbekens stammen via Hebelermeer van Rühle. Ze woonden aan de Schoolweg op plaats 33. Van hen werd op 2-4-1870 een levenloos kind geboren. Het werd aangegeven door Teunis van Zijl, 69 jaar, tijdelijk arts te Emmen die erbij was geweest. Als woonplaats leest men dan in de Burgerlijke Stand van Emmen voor het eerst de naam Compascuum. Op 27-4-1876 trouwden ze nog eens te Emmen waarbij hun twee kinderen werden gewettigd. Hendrik Gebbeken, een neef van J.E. Gebbeken (54, pagina 77), overleed hier op 16-1-1919, Geertruida (soms Gederhoet) Luttel stierf te Rütenbrock op 19-8-1928 bij één van haar kinderen. Twee zoons en twee dochters hebben in Duitsland gewoond. Kinderen Gebbeken-Luttel:
86. Johann Wilhelm Suelmann en Maria Alida Cornelia Emmerink8-6-1869. Willem, de oudste zoon van Bernard Heinrich Suelmann (18, pagina 42) werd op 27-6-1845 in Rütenbrock geboren. Hij trouwde, Rütenbrock 21-7-1868, met Maria Alida Cornelia Emmerink, geboren 4-7-1846 te Coevorden. In Rütenbrock werd hun eerste kind, Bernard Heinrich, geboren. Door een verschrijving werd hij een Suhlmann. Hier komt Willem Suelmann het eerst voor bij een overlijdensaangifte op 8-6-1869. Hij werd hier Meer-Wilm genoemd omdat zijn ouders lang in Hebelermeer gewoond hadden. Ze woonden hier eerst in de Maatschappij. Een korte tijd hebben ze in Bargeroosterveld gewoond, daarna woonden ze hier op de Streek ten westen van de Runde, zuidelijk van de Postweg. Willem Suelmann overleed hier op 14-7-1916. Zijn vrouw stierf op 10-1-1928 te Bargeroosterveld bij één van de kinderen. Kinderen Suelmann-Emmerink:
87. Hermann Bernard Wösten en Anna Angela Carolina Kamphus3-7-1869. Wösten, op 13-11-1839 geboren in Lindloh, trouwde te Rütenbrock op 17-4-1866 met Anna Angela Carolina Kamphus, op 16-6-1838 geboren in Laxten bij Lingen. Ze hebben eerst een tijdlang in Klein Hesepe gewoond, daar werd een zoon geboren. Hier werd op 3-7-1869 een levenloos kind geboren. Ze woonden in de Maatschappij, vrouw Wösten-Kamphus overleed hier op 3-5-1870. Wösten hertrouwde, Rütenbrock 4-10-1870, met Engel Tholen, op 24-11-1845 in Zandberg geboren. Van hen werd hier op 14-8-1871 de zoon Jan Berend geboren. Het huwelijk Wösten-Tholen werd in Emmen lange tijd niet erkend, eerst na zijn huwelijk werd de naam van Jan Berend veranderd van Tholen in Wösten. Wösten moet in 1871 of begin 1872 vertrokken zijn, hij staat niet op de lijst van pastoor Vroom. Na eerst nog in Lindloh te hebben gewoond, woonden ze te Schöninghsdorf, daarna in Zwartemeer. Wösten overleed daar op 29-5-1920, zijn vrouw op 30-11-1922. De oudste zoon, Hermann Heinrich Bernard (Harm), heeft hier lang aan de Schoolweg gewoond, vertrok toen naar Bargeroosterveld. De Wösten 's stammen via Schwartenberg van Bawinkel D. Kinderen Wösten-Kamphus:
Kinderen Wösten-Tholen:
88. Johann Heinrich Schulte en Elisabeth Henrica Fullen14-9-1869. Heinrich Schulte, op 3-10-1819 geboren te Lindloh, trouwde op 7-5-1850 in Rütenbrock met Elisabeth Fullen, geboren 5-1-1822 te Meppen. Haar ouders woonden toen al lang in Lindloh. De Schulte's stamden van Langen bij Lengerich. Deze Heinrich Schulte kreeg de huisnaam Bakkers doordat zijn schoonvader bakker was en ze daar eerst bij in gewoond hebben. Hun kinderen werden in Lindloh geboren. Uit een boekweitverkoping op 14-9-1869 blijkt dat Schulte hier toen landbouwer was. Ze woonden in de Maatschappij, later heeft de oudste zoon daar gewoond. Heinrich Schulte overleed op 9-5-1879, Elisabeth Fullen stierf op 16-11-1893. De zoon Johann Heinrich, Bakkers-Kroeze , werd op 17-7-1891 door de bliksem gedood. De zoon Georg, Bakkers-Geert, was eerst winkelier in de Maatschappij, later in de Foxel - Emmercompascuum. Kinderen Schulte-Fullen:
89. Johann Fischer en Anna Maria Robben1-12-1869. Jan Fischer, op 30-3-1831 in Lindloh geboren, trouwde op 14-5-1861 te Rütenbrock met Anna Maria Robben, in Lindloh geboren op 10-11-1843. Zij was een dochter van Heinrich Robben (96, pagina 116). Hun oudste kinderen werden in Lindloh geboren, te Emmen werden ze op 1-12-1869 ingeschreven. Hier woonden ze aan de Schoolweg op plaats 19. Maria Robben overleed hier op 12-12-1902, Jan Fischer stierf in Bargeroosterveld op 15-7-1917. Twee zoons woonden later in Bargeroosterveld, de andere zoon overleed als koloniaal in Ned. Oost Indië. De dochters trouwden in Duitsland. Kinderen Fischer-Robben:
90. Johann Heinrich Bollmer en Maria Gesina Lammers1-12-1869. Bollmer (of Bolmer), geboren 21-10-1806 in Versen, trouwde op 9-2-1836 te Wesuwe met Maria Gesina Lammers, geboren in Neuversen op 26-11-1813. Ze woonden in Versen, daar werden hun kinderen geboren, enkelen ervan zijn jong overleden. Hier werden ze te Emmen op 1-12-1869 ingeschreven. Ze hebben hier dicht bij het Zwartemeer gewoond. De ouders gingen in 1895 terug naar Duitsland, vermoedelijk naar Wesuwermoor. De zoon heeft hier lang gewoond en is toen ook naar Duitsland vertrokken. De dochter woonde te Zwartemeer. Kinderen Bollmer-Lammers:
91. Gerhard Heinrich Brokmann en Anna Margaretha Leisdonk1-12-1869. Brokmann, op 28-10-1801 geboren in Hebelermeer, trouwde op 5-6-1827 te Wesuwe met Margaretha Leisdonk (later Leisdon), geboren 27-10-1805, eveneens in Hebelermeer. In Hebelermeer werden hun kinderen geboren. Ze werden op 1-12-1869 te Emmen ingeschreven, maar woonden vermoedelijk al eerder hier. Ze hebben aan de Streek (Schoolweg) gewoond, nier ver van het Zwartemeer. Brokmann (soms Brockmann) overleed op 15-1-1878, zijn vrouw op 5-1-1883. De meeste kinderen hebben hier ook gewoond. De grootvader van Gerhard Heinrich was in 1779 in Wesuwe getrouwd. Hij was een miles Hollandius, een soldaat uit Holland. Kinderen Brokmann-Leisdonk:
Kind van M.A. Brokmann:
92. Johann Caspar Heijne en Marijke Damhuis18-1-1870. Johann Caspar Heijne, later meestal Johan Kasper Heine, was op 14-10-1828 geboren in Neudersum, parochie Steinbild. Later woonden zijn ouders in Zandberg. Hij trouwde, Odoorn 9-2-1859, met Marijke Damhuis, op 2-7-1836 geboren te Franeker. Haar ouders waren in 1858 in Zandberg komen wonen. De vader van Kasper Heine was in Schwartenberg geboren, zijn grootvader in Thull, gemeente Schinnen, Limburg. Het echtpaar Heine-Damhuis woonde eerst in Zandberg, daarna in Weerdingermarke. Hier woonden ze dicht bij het Zwartemeer. Op 18-1-1870 werd bij hen een levenloos kind geboren. Later hebben ze te Zwartemeer gewoond. Marijke Damhuis overleed op 21-10-1908, Kasper Heine op 9-2-1916. Van de zoons Jan Kasper en Rudolf wonen hier en in de omgeving veel nakomelingen. Achterkleinzoon was Pater (Mgr.) Jan D.F. Heine. Kinderen Heijne-Damhuis:
93. Johann Albert Buss en Maria Herbers3-3-1870. Albert Buss, op 27-7-1840 geboren in Hebelermeer, trouwde te Rütenbrock op 11-8-1867 met Maria Herbers, geboren 10-8-1847 in Altenberge. Ze woonden eerst in Altenberge. Op 3-3-1870 bood hij zijn grond in Altenberge te koop aan, ze woonden toen al in het Compascuum. De dochter Anna Maria, in Altenberge geboren, overleed hier op 4-4-1870. Ze woonden nabij het Zwartemeer. In 1879 verhuisden ze naar Schöninghsdorf, later woonden ze in Rühlermoor. Albert Buss overleed daar op 3-6-1925. Kinderen Buss-Herbers:
94. Bernardus Johannes Borghuis en Margrita Langen29-4-1870. Berend Borghuis, geboren op 17-3-1845 in de Maten, trouwde, Emmen 18-4-1868, met Margrita Langen, geboren 19-12-1845 te Roswinkel. De vader van Borghuis was wever en geboren in Wildervank. Deze familie stamde vermoedelijk uit Twente. Hun oudste kind werd geboren in Roswinkel, hier werd op 29-4-1870 Anna Geertruida geboren. Ze hebben lang in de Maatschappij gewoond en verhuisden toen naar Bargeroosterveld. Borghuis was hier onbezoldigd rijksveldwachter, vooral om stropers te weren uit het Scholtensveld. Berend Borghuis overleed op 23-4-1917 te Bargeroosterveld, zijn vrouw stierf en keleweken later, op 19-5-1917. Hun twee oudste kinderen vertrokken op 30-4-1894 naar de Ver. Staten, Minnesota, twee zoons woonden in Bargeroosterveld. Kinderen Borghuis-Langen:
95. Johann Hermann Berens en Maria Gesina Schleper22-7-1870. Harm Berens, op 4-11-1840 geboren in Hebelermeer, trouwde, Wesuwe 27-701869, met Ma ria Gesina Schleper, ook in Hebelermeer geboren, op 7-11-1842. De vader van Berens kwam van Hüntel (Wesuwe). Deze familie had de huisnaam Douzen. Hun eerste kind werd hier op 22-7-1870 geboren. Ze hebben aan de Schoolweg gewoond op plaats 32. Maria Gesina Schleper overleed hier op 6-2-1905. Harm Berens hertrouwde op 26-4-1906 te Emmen met Anna Maria Kollmer, toen weduwe Vedder, eerder wed. Brokmann (78, pagina 98). Harm Berens is op 13-3-1922 gestorven, Anna Maria Kollmer op 17-8-1923. Kinderen Berens-Schleper:
96. Johann Heinrich Robben en Anna Catharina Wester
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Anna Maria | * 10-11-1843 Lindloh | + 12-12-1902 B.C. |
| x Rütenbrock | * 14-5-1861 | |
| Johann Fischer (89) | ||
| Anna Margaretha | 6-11-1846 Lindloh | + 4-4-1935 Bargeroosterveld |
| x 1. Emmen 21-4-1875 | ||
| Gerhard Hermann Brinkmann (36) | ||
| x 2. Emmen 16-11-1893 | ||
| Johann Bernard Jansen (39) | ||
| x 3. Emmen 26-3-1903 | ||
| Bernard Heinrich Jansen | * 1842 Binnenborg D. | + 15-5-1915 ,, |
| x 4. Emmen 26-10-1916 | ||
| Johannes Hilleger | * 8-4-1848 Sleen | + 13-2-1922 ,, |
| Bernard Heinrich | * 16-8-1849 Lindloh | + 16-2-1914 B.C. |
| x 1. B.C. 29-2-1876 (niet B.S.; kinderen Meijer) | ||
| Anna Helena Meijer | * 8-12-1852 Düthe D. | + 24-4-1882 Bargeroosterveld |
| x 2. -- - Emmen 17-6-1892 | ||
| Aaffien Moes | * 1855 Assen | + 28-4-1919 B.C. |
| Engelbert | * 18-3-1852 Lindloh | +23-10-1938 Bargeroosterveld |
| x B.C. 9-12-1877 - Emmen 19-8-1892 | ||
| Maria Gesina Wielage | * 29-2-1856 Waldhöfe D | +17-11-1922 ,, |
| Johann Hermann | * 22-9-1857 Lindloh | + 9-2-1898 Bargeroosterveld |
| x B.C. 9-12-1877 - Emmen 25-7-1878 | ||
| Maria Elisabeth Sulmann (18) |
6-10-1870.
Op de lijst van pastoor Vroom staat als nr. 36 deze Suelmann. Hij heeft hier niet lang gewoond. Hij was hier landbouwer toen hij op 6-10-1870 een deel van plaats 20 huurde, met de verplichting er een woning te bouwen. Daar woonde hij in 1872.
Harm Suelmann, geboren 7-4-1841 te Lindloh, trouwde, Rütenbrock 15-9-1878, met Maria Catharina Mensen van Hebelermeer. Ze woonden in Schöninghsdorf toen Suelmann op 12-8-1886 plotseling in Lindloh overleed. Catharina Mensen hertrouwde in 1887 met Jan Geert Gosefoort van Erica. Daar is zij gestorven.
14-2-1871.
Jan Ottens, geboren op 17-4-1842 in Oomsberg, gemeente Onstwedde, trouwde op 14-2-1871 te Erica met Catharina Sibum, geboren 19-12-1847 in Lindloh. De vader van Ottens kwam van Dankern. Er is geen burgerlijk huwelijk van te vinden. Vermoedelijk heeft de pastoor van Rütenbrock, waar dit huwelijk ook is opgeschreven, een trouwakte afgegeven. Ottens was toen scheper in Compascuum. Ze hebben hier lang als landbouwers in het Voor-Compas gewoond en zijn later vertrokken naar Bargeroosterveld. Jan Ottens overleed daar op 2-8-1915, zijn vrouw op 14-11-1926.
Kinderen Ottens-Sibum:
| Maria Elisabeth | * 10-12-1871 B.C. | + 3-12-1878 B.C. |
| Maria Helena | 25-3-1873 B.C. | + 6-12-1937 B.C. |
| x Emmen 20-6-1893 | ||
| Gerhard Heinrich Veringa (34) | ||
| Jan Harm | * 1-7-1874 B.C. | +25-12-1920 Bargeroosterveld |
| x Emmen 14-3-1899 | ||
| Anna Maria Fuhler (hertrouwd 21-5-1927 Johann Wilhelm Grummel) | * 21-4-1876 Valtherveen | + 4-1-1949 ,, |
| Angela | * 20-2-1876 B.C. | + 26-4-1949 Bargeroosterveld |
| x Emmen 20-2-1900 | ||
| Herman Heinrich Kocks (44) | ||
| Maria Elisabeth | *5-10-1879 B.C. | +29-12-1914 Bargeroosterveld |
| x Emmen 23-4-1903 | ||
| Herm's Bernardus Fuhler (hertrouwd 20-5-1915 Margaretha Catharina Grummel) | *1879 Valtherveen | + 22-4-1955 ,, |
| Aleida | * 3-8-1882 B.C. | + Ruurlo? |
| x Lochum 23-4-1911 | ||
| Joh's Hendrikus Bluemers | --- | |
| Maria | * 25-4-1884 B.C. | + 7-3-1920 Rütenbrock |
| x 1. Rütenbrock 13-7-1909 | ||
| Rudolf Gerdes | * 1881 Rütenbrock | +12-11-1914 IJperen B. |
| x 2. Rütenbrock | ||
| Rudolf Nik.Tieben | * 1883 Hesepe | + 10-1-1968 Rütenbrock |
| Geertruida | * 28-9-1886 B.C. | + 22-4-1968 B.C. |
| x Emmen 27-4-1911 | ||
| Joh.Bernard Heller | * 27-8-1883 Braamberg | 10-1-1974 B.C. |
| Thekla | * 15-1-1888 B.C. | + 22-1-1963 Bargeroosterveld |
| x Emmen 31-8-1911 | ||
| Hendrik Fuhler | * 11-2-1891 Valtherveen | + 8-10-1973 ,, |
| Bernard | * 27-9-1891 B.C. | + 24-5-1976 Bargeroosterveld |
| x Emmen 15-8-1918 | ||
| M.Anna Aleida Heijne | * 17-3-1899 Maten | + 19-5-1968 ,, |
25-4-1871.
Heinrich Berken, geboren 20-11-1843 in Neuringe, parochie Twist, trouwde op 25-4-1871 te Hebelermeer met Maria Helena Brokmann, in Hebelermeer geboren op 13-1-1848. Zij was een dochter van Brokmann (91, pagina 111). De vader van Berken was geboren in Dankern.
Bij hun huwelijk staat Compascuum als de toekomstige woonplaats. Eerst woonden ze dicht bij het Zwartemeer, later in Munsterscheveld en tenslotte in het Zwartenberger-Compascuum te B.C. Helena Brokmann overleed op 14-9-1889 in Emmercompascuum.
Berken hertrouwde, Emmen 28-2-1890, met Elisabeth Conen, in 1862 geboren te Altenberge. Elisabeth Conen overleed hier op 18-12-1921, Hendrik Berken op 29-8-1922.
Kinderen Berken-Brokmann:
| Herman Antoon | * 4-6-1874 B.C. | + Recklinghausen? |
| x Emmen | * 9-5-1901 | |
| Anna Margaretha Fuhlert | * 1870 Holthe D. | |
| Geert Hendrik | * 16-2-1877 B.C. | +15-1-1878 B.C. |
| Berend Hendrik | * 5-5-1879 Munsterscheveld | +16-10-1960 Bargeroosterveld |
| x Emmen 28-9-1911 | ||
| Engel Brickmann | * 11-2-1888 Zwartemeer | + 13-10-1962 ,, |
| Anna Elisabeth | *17-11-1883 Munsterscheveld | + D. |
| x Haltern 3-6-1914 | ||
| Paul Robert Hohlfeld | * 1875 Görlitz | --- |
| Johannus Henderikus | * 10-9-1888 Emmercompascuum | + 10-7-1891 Emmercompascuum |
Kinderen Berken-Conen:
| Gerhard Heinrich | * 10-1-1891 Emmercompascuum | + 22-1-1970 Emmercompascuum |
| x Emmen 19-2-1914 | ||
| Trijntje Nieman | *21-12-1896 Musselkanaal | + 1-12-1972 ,, |
| Johan Herman | * 4-12-1893 Emmercompascuum | + 26-2-1895 Emmercompascuum |
| Johan Herman | * 14-2-1896 Emmercompascuum | + 28-12-1942 (+Hannover) B.C. |
| x Emmen 10-5-1919 | ||
| Maria ElisabethHüsers (hertrouwd 23-6-1945 Pieter Alkema * 1906 B.C.) | * 25-4-1896 Zwartemeer | +28-12-1988 Emmen |
| Maria Elisabeth | * 10-1-1899 Emmercompascuum | + 19-8-1932 B.C. |
| x Emmen 29-1-1921 | ||
| Henderikus Nieman (hertrouwd 10-4-1937 Christina Wolters * 1907 Munnekemoer) | * 23-7-1900 ,, | + 19-2-1942 Emmercompascuum |
| Anna Maria | * 16-6-1906 B.C. | --- |
| x --- | ||
| Poulissen | --- |
20-10-1871.
Geert Koop, op 24-12-1841 geboren in Hebelermeer, heeft hier eerst gewoond met zijn zuster Maria Catharina, in Hebelermeer geboren op 15-2-1850.
Koop trouwde op 13-8-1872 te Hebelermeer met Maria Helena Disen, daar ook geboren, op 23-3-1848. Ze trouwden op 27-4-1876 nog eens in Emmen waarbij hun twee kinderen gewet tigd werden.
Maria Catharina Koop trouwde op 8-2-1874 in Meppen met Heinrich Georg Schulte, in 1847 geboren te Kathen (Lathen). Ze hebben zo 'n 20 jaar in Kopstukken (Onstwedde) gewoond en zijn toen weer vertrokken naar Duitsland.
Geert Koop woonde hier aan de Postweg, even ten oosten van de Schoolweg. In de 80-er jaren zijn ze verhuisd naar Bargeroosterveld. Koop overleed daar op 3-5-1913, zijn vrouw op 9-10-1915.
Kinderen Koop-Disen:
| Herman Heinrich | * 8-5-1873 B.C. | --- |
| x Assen | * 6-5-1905 | |
| Anna Wilhelmina Constantia v.d. Heijden | * 1871 Assen | --- |
| Anna Maria Catharina | * 17-9-1875 B.C. | + 9-1-1889 Bargeroosterveld |
| Johannes Hendrik | * 22-6-1878 B.C. | +31-8-1951 Bargeroosterveld |
| x Emmen 20-10-1904 | ||
| Maria Gezina Theijken (102) | ||
| Johan Bernard | * 23-6-1881 B.C. | |
| x Coevorden 10-7-1913 | --- | |
| Henriëtte Elisabeth Joh. Habers | *22-4-1892 Coevorden | --- |
15-12-1871.
Bernard Schulting, geboren 12-12-1825 in Berge bij Fürstenau, trouwde op 29-11-1851 te Berge met Elisabeth Voss, van Grafeld. Van dit huwelijk waren twee zonen. Schulting was bakker in Berge. Elisabeth Voss is daar overleden.
Schulting hertrouwde op 8-8-1865 te Rütenbrock met Anna Helena Nüssen, in Lindloh gebo ren op 20-1-1846. Ze hebben een aantal jaren in Lindloh gewoond. Ze woonden hier op het eind van de Maatschappij. Schulting was hier bakker-landbouwer. Hij overleed op 21-12-1901. Helena Nüssen stierf bij haar dochter in Provincialmoor op 17-10-1914.
Drie zoons en een dochter zijn hier jong gestorven, de andere kinderen hebben in Duitsland gewoond.
Kinderen Schulting-Voss:
| Wilhelm Heinrich | *19-12-1851 Berge | +25-11-1883 B.C. |
| x B.C. 12-5-1880 (niet voor de B.S.) | ||
| Anna Gertrudis Gerdes (76) (hertrouwd 8-8-1884 Jan Berend Rohling * 1855 Slagharen) | ||
| Gerhard Heinrich | *25-12-1853 Berge | + Rütenbrock |
| x B.C. 20-4-1882 - Emmen 8-12-1882 | ||
| Margaretha Adelheid Schmitz | * 1862 Rütenbrock | --- |
Kinderen Schulting-Nüssen:
| Johann Rudolf Carl | * 9-1-1867 Lindloh | + 21-7-1898 B.C. |
| x Emmen 10-8-1894 | ||
| Helena Margaretha Arling (hertrouwd 12-5-1899 Johann Hermann Wielage * 1873 Altenberge) | * 28-2-1868 Braamberg | + 24-4-1951 B.C. |
| Bernard | * 7-5-1869 Lindloh | + 29-5-1886 B.C. |
| Elisabeth | * 13-1-1872 B.C. | + Fehndorf |
| x B.C. 10-10-1890 | ||
| Johann Bernard Janning | * 1863 Twist | + ,, |
| Helena Wilhelmina | * 28-9-1874 B.C. | + 7-7-1901 B.C. |
| Helena Carolina | * 1-1-1878 B.C. | + 1-10-1951 Provincialmoor |
| x Emmen | * 11-10-1898 | |
| Johan Gerard Bentlage | * 16-3-1875 B.C. | + 23-3-1917 ,, |
Hier volgen mensen die niet eerder voorkwamen in de Bevolkingsregisters van Emmen, in huurcontracten, enz. Ze staan wel op de lijst van pastoor Vroom van 1872. Sommigen zijn in 1872 naar hier gekomen, anderen woonden er waarschijnlijk al langer.
1872.
Joseph Teiken, geboren op 26-8-1836 in Schwartenberg, heeft hier de eerste jaren blijkbaar op zijn eentje gewoond in het Voor-Compas, op plaats 16.
Hij trouwde op 25-5-1875 te Emmen met Anna Angela Borgmann (25, pagina 50). Zij overleed al op 9-9-1878 na de geboorte van hun tweede kind. Dat kind stierf 10 dagen later bij zijn familie in Schwartenberg.
Josef Teiken hertrouwde op 10-9-1880 te Emmen met Maria Gezina Kramer, geboren 5-12-1847 in Zandberg. De naam Teiken veranderde toen in Theijken doordat de pastoor van Rütenbrock die zijn geboortebewijs afgaf, die naam toen zo schreef.
Joseph Theijken overleed op 21-11-1915 in het Voor-Compas, zijn vrouw stierf op 29-11-1919 in Bargeroosterveld bij haar dochter.
De Teikens stammen via Schwartenberg van Waldhöfe bij Sögel.
Kinderen Teiken-Borgmann:
| Heinrich Anton | * 10-7-1876 B.C. | + 8-8-1915 B.C. |
| Angela Adelheid | * 7-9-1878 B.C. | + 17-9-1878 Schwartenberg |
Kinderen Teiken-Kramer:
| Anna Angela | *24-10-1881 B.C. | + 5-6-1920 B.C. |
| x Emmen 28-11-1899 | ||
| Jan Berend Suelmann (hertrouwd Anna M.Christina Bos wed. Bürmann * 1886 E.C.) | * 10-4-1879 B.C. | + 3-5-1929 B.C.(+Groningen) |
| Anna Maria | * 21-11-1883 B.C. | + Haren D. |
| x Haren 31-5-1910 | ||
| Johann Bernard Schulte | ||
| Maria Gezina | * 8-9-1885 B.C. | + 10-2-1957 Bargeroosterveld |
| x Emmen 20-10-1904 | ||
| Johannes Hendrik Koop (100) | ||
| Jan Willem | * 9-7-1893 B.C. | + 1-2-1960 B.C. |
| x Emmen 11-5-1916 | ||
| Anna Aleida Muller | * 31-3-1890 Emmerrunde | + 6-6-1978 (+Coevorden) |
1872.
Deze familie Tholen staat als nummer 25 op de lijst van pastoor Vroom. Geert Hendrik Tholen, op 23-4-1822 geboren te Lindloh, trouwde op 6-5-1851 in Rütenbrock met Maria Adelheid Nieters, geboren 2-10-1828 in Neusustrum. De Tholen's stammen van Haren.
Hun kinderen werden in Lindloh geboren, behalve de jongste, die hier op 28-10-1872 geboren werd.
Ze woonden vooraan in de Maatschappij, maar zijn al gauw naar Zwartemeer verhuisd. Maria Adelheid Nieters overleed daar op 21-10-1892, Tholen op 5-9-1894.
Vier zoons zijn vertrokken, sommigen naar Amerika.
Kinderen Tholen-Nieters:
| Johann Rudolf | * 1851 Lindloh | + 9-1-1866 Lindloh |
| Maria Helena | * 22-9-1853 Lindloh | + 6-12-1865 Lindloh |
| Maria Catharina | * 22-8-1856 Lindloh | + 11-7-1885 B.C. |
| x Emmen 30-8-1877 | ||
| Joh.Hermann Robben | * 30-9-1837 Rütenbrock | +17-12-1918 Emmercompascuum |
| Johann Bernard | * 5-11-1858 Lindloh | + 12-6-1926 Bargeroosterveld |
| x 1. Emmen 20-2-1880 | ||
| Maria Gesina Kramer | *24-10-1860 Valtherveen | +22-11-1882 B.C. |
| x 2 Emmen 26-6-1883 | ||
| Anna Maria Lampen | * 13-6-1852 Hebelermeer | + 12-7-1897 B.C. |
| x 3. Emmen 1-2-1898 | ||
| Maria Aleida Snijders | * 31-8-1871 Erica | + 7-10-1952 Bargeroosterveld |
| Hermann Heinrich | * 13-2-1861 Lindloh | --- |
| Johann Heinrich | *13-10-1863 Lindloh | --- |
| Johann Rudolf | * 11-5-1866 Lindloh | +18-12-1916 Zwartemeer |
| x Emmen 26-11-1889 (+Den Bosch) | ||
| Maria Aleida Gerdes | * 13-7-1872 Valtherveen | + 7-1-1961 B.C. |
| Johann Hermann | * 5-1-1869 Lindloh | --- |
| Theodoor Heinrich | *28-10-1872 B.C. | --- |
1872.
Maria Lubbers staat als nr. 29 op de lijst van pastoor Vroom. Zij was toen 17 jaar en zou geboren (of gedoopt) zijn in Zandberg. Ze was ancilla (dienstmeid of huishoudster). Vermoedelijk was zij dienstmeid bij Hoffard (32, pagina 56). Dit moet Maria Lubbers zijn, geboren 25-10-1854 te Roswinkel en gedoopt te Rütenbrock. Tot 1857 behoorden de katholieken van de Maten en Roswinkel tot de parochie Rütenbrock, daarna tot de parochie Zandberg. Ze was een dochter van Bernard Lucas Lubbers en Anna Maria Hemmen. Zij overleed, ongehuwd, op 28-10-1927 in Emmercompascuum.
1872.
Schröer staat als nr. 32 op de lijst van 1872. Dat is ook alles wat er hier van hem is te vinden. Hij was op 23-11-1843 geboren in Lindloh en heeft later in Hebelermeer gewoond. Hij is twee maal getrouwd geweest, de eerste keer, Hebelermeer 25-7-1876, met Maria Tecla Falke wed. Wilken, en vervolgens, Hebelermeer 21-4-1879, met Anna Maria Diesen. Schröer overleed op 4-2-1882 in Hebelermeer.
1872.
Hendrik Wessels, op 13-2-1839 geboren in Rütenbrock, trouwde daar op 20-4-1869 met Tecla Ottens, geboren 26-11-1844 in Horsten. Zij was toen dienstmeid te Lindloh. Wel schreef de pastoor van Rütenbrock als hun toekomstige woonplaats Compascuum, maar ze hebben eerst een paar jaar in Roswinkel gewoond. De familie Wessels woonde aan de Schoolweg op plaats 17. Hendrik Wessels overleed al op 21-8-1881. Ook twee kinderen zijn jong gestorven. Tecla Ottens stierf bij haar schoonzoon Heinrich Hartmann (108, pagina 127) op 5-1-1927.
Kinderen Wessels-Ottens:
| Maria Elisabeth | * 15-2-1870 Roswinkel | + 8-11-1918 B.C. |
| x Emmen 25-10-1892 | ||
| Johann Heinrich Hartmann (108) | ||
| Maria | * 9-1-1872 Roswinkel | + 21-4-1891 B.C. |
| Jan Harm | * 14-2-1874 B.C. | + 1-1-1951 Bargeroosterveld |
| x Emmen 29-1-1903 | ||
| Angela Arling | *13-12-1881 Braamberg | +12-10-1965 ,, |
| Rudolf | * 27-1-1876 B.C. | + 29-10-1897 B.C. |
| Jan | * 19-9-1877 B.C. | + Overberge D. |
| x --- | ||
| Henriëtte Köhling | *11-12-1878 Overberge | + 20-2-1954 ,, |
| Bernard | * 1-10-1879 B.C. | +31-12-1967 Emmen |
| x Emmen 2-12-1902 | ||
| Maria Adelheid Bentlage (80) |
1872.
Geert Lübbers staat op de lijst van pastoor Vroom bij de familie Wilken (47, pagina 70), hij was daar toen knecht. Hij was op 12-12-1849 geboren in Hebelermeer. De Lübbers stammen van Wesuwe. Hij trouwde op 13-2-1877 in B.C. met Maria Helena Ahlers, op 4-6-1851 geboren in Bersede (Wesuwe). Haar ouders woonden later ook in Hebelermeer. Op 20-6-1884 trouwden ze te Emmen, toen werden hun twee kinderen gewettigd. Geert Lübbers was landbouwer, eerst op plaats 43, aan de Runde, later op plaats 32. Helena Ahlers overleed op 28-10-1890. Lübbers (later vaak Lubbers) hertrouwde, Emmen 5-5-1891, met Anna Helena Kösters, geboren 5-9-1869 te Lindloh. Geert Lübbers overleed hier op 28-9-1918, Helena Kösters woonde later met drie dochters en de jongste zoon in Emmercompascuum. Zij overleed daar op 4-4-1948.
Kinderen Lübbers-Ahlers:
| Maria Tecla | * 27-1-1880 B.C. | + 14-6-1954 Nieuw Dordrecht |
| x Emmen 26-1-1904 | ||
| Johan Hendrik Hoge (43) | ||
| Johan Herman | * 30-5-1882 B.C. | +19-11-1907 B.C. |
| x Emmen 9-8-1906 | ||
|
Helena Borgmann (25) (hertr. Alexander Snijders) | ||
| Maria Anna | * 6-10-1884 B.C. | + 1967 Lathen D. |
| x Lathen | * 10-2-1920 | |
| Gerh.Herm. Brinkmann | ||
| Johan Bernard | * 17-6-1886 B.C. | + 16-5-1979 B.C. |
| x Emmen 31-5-1930 | ||
| Maria Catharina Schulte | * 25-1-1898 B.C. | + 4-2-1968 B.C. |
| Adelheid | * 8-10-1888 B.C. | + 25-2-1972 Nieuw Schoonebeek |
| x Emmen 23-4-1914 | ||
| Berend Hendrik Berens | * 1882 Zwartemeer | +18-12-1959 ,, |
Kinderen Lübbers-Kösters:
| Gerard Herman | * 17-6-1892 B.C. | + 8-11-1942 B.C. |
| x Emmen 26-10-1917 | ||
| Maria Catharina Zwake | * 22-9-1887 B.C. | + 3-10-1974 B.C. |
| Maria Helena | * 3-12-1894 B.C. | + 10-3-1980 Emmercompascuum |
| x Emmen 13-1-1920 | ||
| Johan Wilhelm Schulte | * 4-12-1893 B.C. | +25-11-1963 B.C. |
| Margaretha Adelheid | * 25-2-1896 B.C. | + 11-7-1986 Emmercompascuum |
| Bernard Heinrich | * 7-7-1899 B.C. | + 9-4-1991 Bargeroosterveld |
| x Emmen 9-9-1922 | ||
| Anna Helena Wilken | * 15-6-1898 B.C. | + 2-8-1984 ,, |
| Margaretha Elisabeth | * 7-7-1899 B.C. | + 25-8-1899 B.C. |
| Anna Elisabeth | * 12-3-1902 B.C. | + 21-2-1994 (Coevorden) |
| Anna Maria | * 21-6-1905 B.C. | + 18-6-1981 Emmercompascuum |
| Hermannus Hend's | * 23-2-1909 B.C. | + 12-8-1984 Emmen |
| x Emmen 1954 | ||
| Alke Winter | * 19-2-1917 Emmercompascuum | --- |
1872.
Berend Hartmann, op 5-3-1834 geboren te Rütenbrock, trouwde daar op 25-2-1862 met Maria Elisabeth Reis, geboren 19-3-1841 in Lindloh. Ze waren pachters te Lindloh. Van dit huwelijk waren drie kinderen. Elisabeth Reis overleed op 24-6-1870. Hartmann hertrouwde, Rütenbrock 20-9-1870, met Josephina Frederika Maria van Bree, op 1-2-1842 geboren in Nödike (Meppen). Haar vader kwam van Berkelhout bij Delft. Hun oudste kind werd geboren in Lindloh. In Emmen werden ze op 25-7-1872 ingeschreven. Ze woonden hier eerst tegenover Conen (62, pagina 84), later in de buurt van Borgmann (25, pagina 50) aan de Schoolweg. Berend Hartmann overleed op 9-2-1914, Maria van Bree op 13-9-1930. Vijf kinderen trouwden in Duitsland, één zoon overleed daar ongehuwd. De zoon Gerard Joseph werd missiebroeder en is jong in de missie gestorven. Hier bleven een dochter en de zoon uit het eerste huwelijk. De Hartmann's hadden als huisnaam Winds. Ze kwamen via Lindloh, Rütenbrock, Altenberge en Landegge van Versen. De stamvader was een militair (ruiter) die in 1726 trouwde in Wesuwe.
Kinderen Hartmann-Reis:
| Maria Elisabeth | * 5-12-1862 Lindloh | + 27-8-1929 B.C. |
| x Emmen 5-6-1888 | ||
| Gerhard Heinrich Schulte (88) | ||
| Anna Adelheid | * 26-3-1865 Lindloh | + 17-7-1903 Hemsen D. |
| x Meppen 8-1-1889 | ||
| Hermann Heinrich Krüssel | * 1862 Versen | --- |
| Johann Heinrich | * 1-6-1867 Lindloh | + 4-8-1941 B.C. |
| x Emmen 25-10-1892 | ||
| Maria Elisabeth Wessels (106) |
| Maria Margaretha | * 17-10-1871 Lindloh | |
| x Meppen 20-8-1891 | ||
| Cornelis Ermen | * 12-11-1859 Assen | --- |
| Bernard Frederik | * 30-4-1873 B.C. | + 31-7-1958 Meppen |
| x Meppen 27-7-1897 | ||
| Maria Gesina Ostermann | 11-3-1874 Holhausen | --- |
| Maria Helena | *10-10-1874 B.C. | + D. |
| x Schöninghsdorf 27-7-1909 | ||
| Gerh.Heinrich Veltrup | * 1873 Geest D. | --- |
| Frans Anton | *22-12-1875 B.C. | +16-11-1960 Bargeroosterveld |
| x Emmen 24-2-1903 | ||
| Tecla Arends | *23-10-1876 Maten | + 10-7-1933 ,, |
| Johan Herman | *28-11-1877 B.C. | + 10-7-1933 Neuversen D. |
| Gerard Joseph | * 24-9-1880 B.C. | + in de Missie |
| Maria Gesina | * 21-6-1884 B.C. | + 5-5-1970 Meppen |
| x Meppen 6-9-1910 | ||
| Gerhard Hermann Brand | --- | --- |
1872.
Harm Lübbers, op 30-9-1836 geboren te Wesuwe, trouwde daar op 29-1-1868 met Maria Elisabeth Brinker, geboren 11-12-1843 in Nödike (Meppen).
Ze woonden eerst in Hebelermeer waar ook zijn ouders woonden. Daar werd hun zoon Johann Bernard geboren. Hier woonden ze op de strook grond die aan Hebelermeer was afgestaan. Zijn vader, Johann Heinrich Lübbers geboren 25-2-1800 te Bersede (Wesuwe), woonde bij hen in. Hij was weduwnaar en overleed hier op 14-2-1873.
Op 11-2-1873 werd van hen een kind geboren dat vijf dagen later stierf. Elisabeth Brinker overleed op 26-2-1873. Zij werd in Hebelermeer begraven omdat men door de slechte weg niet naar Erica kon, waar de katholieken van hier sinds 1866 begraven werden.
Harm Lübbers kwam in conflict met de boeren van Hebelermeer. Die betwisten hem het recht om daar te wonen. Volgens hen had zijn vader met het verkopen van zijn grond te Hebelermeer ook zijn rechten op de grond in B.C. verkocht. Daarom vernielden ze op 10-3-1873 zijn hut en inboedel. Een paar dagen later verbrandden ze de overblijfselen van de woning.
Lübbers is toen weer over de grens gegaan. Hij hertrouwde op 15-5-1876 te Hebelermeer met Anna Helena Schmitz, geboren 3-2-1847 in Neusustrum. Ze woonden in Schöninghsdorf. Enkele kinderen van hen zijn jong gestorven. Helena Schmitz stierf daar op 1-4-1888.
Herman Lübbers heeft daarna in Zwartemeer gewoond, hij overleed op 20-4-1916. Zijn zoon Bernard woonde daar ook, de zoon uit het tweede huwelijk heeft in Weiteveen gewoond. Ze hebben een talrijk nageslacht.
Kinderen Lübbers-Brinker:
| Johann Bernard | *20-12-1868 Hebelermeer | + 9-5-1869 Hebelermeer |
| Johann Bernard | *25-10-1870 Hebelermeer | + 6-6-1954 Chevremont |
| x Emmen 23-5-1893 (Limburg) | ||
| Anna Helena Schwieters | * 1873 Alexisdorf | + 15-2-1967 ,, |
Kinderen Lübbers-Schmitz:
| Hermann Heinrich | * 28-3-1882 Schöninghsdorf | + 21-4-1956 Weiteveen |
| x Emmen 17-3-1910 | ||
| M.Hel.Adelheid Schulte | * 1887 Nieuw Schoonebeek | + 29-8-1944 ,, |
| Gerhard Heinrich | * 18-2-1886 Schöninghsdorf | + 19-2-1886 Schöninghsdorf |
| Gerhard Heinrich | * 26-8-1987 Schöninghsdorf | + 3-1-1889 (Vastenow) |
1872.
Op de lijst van pastoor Vroom staat als nr. 50 Harm Berend Luttel. Deze Lüttel, op 30-1-1803 geboren in Hesepertwist, trouwde op 28-6-1838 in de kerk te Coevorden met Anna Phenenna Catharina Ahlers, geboren 9-2-1810 in Lindloh. In het gemeentehuis van Coevorden trouwden ze op 27-6-1839.
Lüttel was toen arbeider in Zaadveenen, gemeente Coevorden, later werd die plaats Steenwijksmoer genoemd. Ze hebben ook in Slagharen gewoond, daar is vrouw Lüttel-Ahlers overleden.
In 1876 werd hij nog als inwoner van B.C. genoemd, hij was toen schaapherder. Hij moet daarna vertrokken zijn naar Duitsland. De zoon Bernard Heinrich heeft hier lang gewoond.
Kinderen Lüttel-Ahlers:
| Bernard Heinrich | * 17-1-1836 Schwartenberg | +19-12-1907 B.C. |
| x Hebelermeer 21-4-1874 | ||
| Maria Catharina Schnieders | * 1843 Geest(Wesuwe) | + 16-4-1901 B.C. |
| Harmannus | * 12-7-1839 Zaadveenen (30) | |
| x Emmen 14-3-1867 | ||
| Maria Adelheid Kappen | --- | |
| Anna Geertruida | *11-10-1845 Slagharen | +19-8-1928 Rütenbrock |
| x Wesuwe 10-5-1869 - Emmen 27-4-1876 | ||
| Johann Heinrich Gebbeken (85) |
1872.
Peter Reis (soms Reiss), geboren 19-8-1840 in Hebelermeer, trouwde daar op 25-10-1870 met Maria Berens, wed. Lübbers, te Hebelermeer geboren op 3-8-1839.
Zij was eerder getrouwd geweest, Wesuwe 14-5-1861, met Hermann Everhard Mathias Lüb bers, geboren 11-8-1830 in Wesuwe. Ze woonden in Hebelermeer. Lübbers overleed op 1-10-1869. Van dit huwelijk waren de dochters Maria Angela en Maria Elisabeth.
Het echtpaar Reis - Berens woonde eerst ook te Hebelermeer. Daar werd hun zoon Bernard Anton geboren. Hier werden nog drie kinderen geboren, waarvan er één jong overleed.
Volgens het Bevolkingsregister vertrokken ze op 23-1-1882 weer naar Hebelermeer. Op 28-10-1884 werd Peter Reis dood gevonden in het Süd-Nortkanal. Maria Berens hertrouwde op 22-6-1885 in Hebelermeer met Johann Heinrich Thye, te Haselünne geboren op 10-8-1847. Hij was kanaalarbeider in Schöninghsdorf. Daar hebben ze ook gewoond. Maria Berens overleed op 14-6-1894 in het ziekenhuis te Meppen.
Kinderen Lübbers-Berens:
| Maria Angela | * 19-9-1863 Hebelermeer | + 13-4-1924 Bargeroosterveld |
| Maria Elisabeth | * 8-2-1866 Hebelermeer | + 12-7-1943 B.C. |
| x Rütenbrock 11-5-1886 | ||
| Gerh.Herm. Fischer | * 25-5-1858 Lindloh | + 20-1-1934 B.C. |
Kinderen Reis-Berens:
| Bernard Anton | * 3-11-1871 Hebelermeer | + 3-2-1958 Maten |
| x 1... - Emmen 29-12-1899 | ||
| Leenke Sandmann (16) | ||
| x 2. Emmen 12-6-1902 | ||
| Anna Maria Lake | * 1-4-1867 Weerdingermarke | + 1-12-1947 ,, |
| Bernardus Hermannus | * 23-3-1874 B.C. | +17-11-1904 Schöninghsdorf |
| Maria Gesina | * 17-1-1877 B.C. | +25-11-1878 B.C. |
| Johan Bernard | * 27-4-1879 B.C. | + D. |
1872.
Hendrikus Veltrop op 23-9-1839 geboren te Slagharen, trouwde daar, Ambt Hardenbergh 2-5-1863, met Klaasje Spin, in October 1840 te Steenwijkerwold geboren. De Veltrop's stammen van Emlichheim.
Ze vertrokken naar Erica, daar hebben ze negen jaar gewoond. Hier woonden ze in de buurt van het Zwartemeer. Klaasje Spin overleed op 11-12-1877. Veltrop hertrouwde, B.C. 25-2-1878 en Emmen 17-3-1882, met Maria Katharina Wilken, op 1-12-1841 geboren in Roswinkel.
In 1882 emigreerde het gezin Veltrop naar de Verenigde Staten, staat Missouri. Ze woonden daar in Taos waar eerder nogal veel oud-inwoners van Twist en Nieuw Schoonebeek waren terecht gekomen. Hendrikus Veltrop is daar op 29-11-1902 gestorven.
Kinderen Veltrop-Spin:
| Maria Lena | * 21-1-1865 Erica | --- Taos MO. |
| Albertus Gerhardus | * 29-10-1868 Erica | + 12-3-1954 Taos MO. |
| x Taos MO. 18-5-1897 | ||
| Anna M.Ther. Schnieders | * 1871 --- | + 16-6-1934 |
| Joh a Henderika | * 21-7-1871 Erica | --- Taos MO. |
| Helena | 5-11-1874 B.C. | --- Taos MO. |
| Gerardus | * 15-4-1877 B.C. | + 11-9-1877 B.C. |
1872.
Geert Veltrop, een broer van de vorige, op 2-3-1843 geboren in Slagharen, trouwde op 1-2-1867 te Emmen met Gesina Wesseling, eveneens in Slagharen geboren, op 13-11-1844.
Ze woonden eerst in Erica. Hier hebben ze ongeveer acht jaar nabij het Zwartemeer gewoond, daarna een korte tijd weer te Erica. Toen zijn ze verhuisd naar Nieuwe Schutting bij Roswinkel.
Geert Veltrop overleed daar op 6-4-1905, hij verongelukte toen hun huis afbrandde. Gesina Wesseling is oud geworden, zij stierf op 11-1-1937 in Emmercompascuum.
Kinderen Veltrop-Wesseling:
| Maria Helena | * 4-12-1868 Erica | + 12-3-1909 Nieuwe Schutting |
| x Emmen 12-2-1895 | ||
| Johannus Bernardus Wendels | * 10-2-1865 Valtherveen | + 21-5-1943 Emmercompascuum |
| Margaretha | * 14-1-1871 Erica | +13-11-1963 Emmercompascuum |
| x --- | ||
| Heinrich Pollmann | * 14-7-1876 --- | + 16-5-1954 ,, |
| Bernardus Hendericus | *15-10-1873 B.C. | + 9-12-1960 Zwartemeer |
| x 1. Emmen 2-5-1901 | ||
| Anna M. Aleida Vonke | * 1882 Erica | + 17-8-1918 ,, |
| x 2. Emmen 13-8-1921 | ||
| Maria Gezina Siemers | * 9-7-1894 Horsten | + 1-5-1962 ,, |
| Gerhardus | * 29-8-1875 B.C. | + 18-3-1881 Erica |
| Johan Herman | * 18-8-1877 B.C. | + 2-1-1878 B.C. |
| Maria Gesina | * 26-2-1879 B.C. | + 20-6-1971 Emmercompascuum |
| x Emmen 27-5-1898 | ||
| Andreas Harms | * 14-11-1871 Roswinkel | + 11-5-1932 ,, |
| Hermina | * 22-4-1882 Nieuwe Schutting | + 11-3-1954 Ter Apel |
| x Emmen 30-4-1914 | ||
| Johann Heinrich Trechsel | * 8-7-1878 Ter Apel | +20-11-1961 ,, |
| Geertruida | * 21-5-1885 Nieuwe Schutting | + 23-7-1969 Emmercompascuum |
| x Emmen 7-11-1919 | ||
| Hermannus Hendrikus Sulman | * 6-10-1883 Horsten | +15-12-1979 ,, |
1872.
Bürmann, nr. 70 op de lijst van 1872, wonend bij het Zwartemeer. Als geboorteplaats staat er Rütenbrock. Vermoedelijk was hij in Altenberge geboren. Hij heeft hier niet lang gewoond en is niet verder gevolgd.
115. Joseph van Teglingen
1872.
Zo staat hij als nr. 71 op de lijst van pastoor Vroom, zonder leeftijd en geboorteplaats. Teglingen kan hier geboorteplaats zijn en Von Techlingen is ook een familienaam. Vermoedelijk verbleef hij in een hut bij het Zwartemeer, maar niet voor lang. Er is verder niets van bekend.
1872.
Geert Hendrik Hemelt (soms Hemel), geboren 16-12-1834 in Adorf bij Twist, was arbeider in Slagharen toen hij trouwde, Ambt Hardenbergh 6-7-1861, met Katharina van der Aa, op 30-11-1835 geboren in de Maten. Zij was de stiefdochter van Hoge (43, pagina 66).
Ze woonden eerst in Slagharen, daarna te Erica. Hier woonden ze bij het Zwartemeer, later in Zwartemeer. Hemelt overleed daar op 12-2-1902, zijn vrouw op 19-4-1902.
De oudste zoon overleed als 14-jarige te Alkmaar in een opvoedingsgesticht. De andere zoon vertrok naar Overijsel. Hij woonde later in Duitsland waar hij zich in 1896 liet naturaliseren tot Duitser.
Kinderen Hemelt-van der Aa:
| Jan Herman | *12-12-1861 Slagharen | +29-12-1875 (Alkmaar) |
| Gesina | * 2-6-1865 Erica | + 23-1-1917 Zwartemeer |
| x Emmen 28-8-1883 | ||
| Gerhardus Wilhelmus Veringa | * 5-8-1858 Adorf | +12-10-1944 ,, |
| Johannus Hinderikus | * 4-1-1868 Erica | --- D. |
| Anna Maria | 27-3-1871 Erica | + 16-3-1875 B.C. |
| Maria Katharina | * 18-5-1874 B.C. | + 17-10-1874 B.C. |
In 1867 werd een lijst opgemaakt van paardeneigenaars en hun paarden. De lijst is gedateerd op 28-Mei 1867. Ook de leeftijd van het paard werd vermeld.
Voor Rundeveen (Compascuum en Smeulveen) vermeldt die lijst de volgende eigenaren en paarden, paarden jonger dan 4 jaar werden niet meegeteld. Voor het werk waren paarden in de categorie 4 tot 8 jaar het meest waardevol. Werk op bovenveen was voor een paard niet zulk zwaar werk als bijvoorbeeld op zandgrond. Paarden gingen hier dus langer mee.
| Eigenaren | ouderdom paarden | ||
| 4-8 j. | 8-11 j. boven | 11 j. | |
| H. Kramer | 1 | ||
| J.H. Soelman | 1 | 1 | |
| B.Santman | 1 | ||
| H. Nieters | 1 | ||
| H. Meijering | 1 | ||
| H.H. Hoffard | 1 | ||
| H. Tolen | 1 | ||
| W. Rabbers | 1 | ||
| D. Wolters | 1 | ||
| B.H. Tobbe (Tubben) | 1 | ||
| H. Huitel (Heitel) | 1 | ||
| H. Kleefman (Klifman) | 1 | ||
| H. Keuter | 1 | ||
| A. Strijk | 1 | ||
| H. Wagenaar | 1 | ||
| H. Krieger | 1 | ||
| H. Hoge | 1 | ||
| G. Amel | 1 | ||
| J.H. Veeninga (Feringa) | 1 | ||
| J.B. Wilken | 1 | ||
| J.H. Gepken (Gebbeken) | 1 | ||
| H. Huzers | 1 | ||
| J.B. Jansen | 1 | ||
| J. Book | 1 | ||
| A. Zondervan (Lubbers) | 1 | ||
| G. de Vries | 1 | ||
| J. Dijks | 1 | ||
| Wed.A. Smits (Suelmann-Schmitz) | 1 | ||
Het oprichten van een school in B.C. heeft nogal wat voeten in de aarde gehad.
In de gemeenteraadsvergadering van 9-2-1866 werd een verzoek behandeld van ingezetenen der kolonie bij de Runde om daar een school te stichten, teneinde de kinderen genot kunnen hebben van onderwijs. De raad vond dat daar niet gesproken kon worden van een vaste bevolking en vond het denkbaar dat die bevolking binnen korte of langere tijd weer vertrok. De raad wilde voor zo n vestiging geen school stichten. De kinderen uit die kolonie konden 's zomers naar de school te Vastenow gaan, waar voor hen genoegzaam onderwijs te krijgen was. Men besloot aan de adressanten te kennen te geven dat aan hun verzoek niet kon worden voldaan.
Dan begint Gedeputeerde Staten zich ermee te bemoeien. Ze stuurden B.en W. van Emmen een resolutie, 7-7-1866, waarin aanbevolen werd over te gaan tot het stichten van een school voor de bevolking van het Compascuum en de Runde. De raad antwoordde dat ook zij von den dat de kinderen van het Compascuum en de Runde, gezamelijk behorende tot de colonie bij de Runde , beter van het onderwijs konden gebruik maken wanneer er in hun nabijheid een school gesticht werd, dan wanneer ze naar de school te Vastenow moesten gaan. Maar er was geen geld voor het stichten van een school. Ook kon daar geen onderwijzer naar toe geplaatst worden, alle woningen zijn keten waarin geen onderwijzer een fatsoenlijk verblijf kan hebben. Verder wilde de raad zich houden aan een besluit van 1-1-1866, waarin de gemeente was verdeeld in 8 schooldistricten. Hierbij vielen de kinderen van B.C. onder de school van Vastenow. Deze regeling gold voor 5 jaar en was goedgekeurd door G.S. De raad wilde die 5 jaar afwachten en een school stichten zoo die dan nog noodig is.
In hun brief van 7-7 hadden G.S. de school aanbevolen voor de bevolking van 't Compascuum en de Runde, met inbegrip van hen die naar de plaatsaanwijzing van 't gemeentebestuur, gevestigd zijn op het Smeulveen.Naar het bericht van de schoolopziener bestaande uit 47 huisgezinnen, met een tal van 56 kinderen die in de jaren vielen om onderwijs te volgen..Van het argument van de raad dat de kinderen 's zomers naar de school in Vastenow konden gaan, werd gezegd dat daarvan bij Barger-Compascuum bevolking niets terecht kwam. Het mocht van G.S. wel een school worden met een min kostbare inrigting, wellicht van hout gebouwd. De school mocht een tijdelijk karakter hebben en kon altijd weer worden opgeheven wanneer ze niet meer nodig was. G.S. verwachtten trouwens niet dat deze nederzetting weer spoedig zou verdwijnen.
Nadat de raad van Emmen nog weer meldden dat ze de 5 jaar wilden afwachtten, scherpten G.S. in een resolutie van 8-8-1866 de zaak aan. Ze zouden zich verplicht zien zelf een school te stichten wanneer de raad bij haar besluit bleef. Dat zou tot gevolg hebben dat er eene meer kostbare school gebouwd zou worden inplaats van de tijdelijke zoals zij eerder hadden voor gesteld. De uitslag van de raad werd binnen 14 dagen ingewacht.
Ondanks al die argumenten weigerde de raad in hun vergadering van 29-8 de school te stich ten; er was geen geld voor.
Toen kwam er een brief van G.S., gedateerd 11-9-1866, waarin bevolen werd een school te bouwen. De regeling van de 5 jaar waarop Emmen zich beriep gold niet wanneer er tussen tijds de behoefte bestond om er een school bij te bouwen. De raad van Emmen besloot hierop een school te bouwen. Zodra het veen genoegzaam was opgedroogd zou tot het stichten van een school en onderwijzerswoning worden overgegaan.
In een brief van 31-10 droegen G.S. het gemeentebestuur op om in Mei 1867 te berichten hoever men was met de voorbereidingen. Het jaar 1867 verliep met voorbereidingen. Nadat het bestek nog eens was gewijzigd, werd het op 18-12-1867 door G.S. voorwaardelijk goed gekeurd, waarbij o.a. de vloer van de school werd bepaald op 50 cm. boven het maaiveld.
Op 27-2-1868 was de aanbesteding van school en onderwijzerswoning. Er waren twee in schrijvers; Geert Lamberts, houtkoper te Noordbarge, met ƒ4999,- en Hendrik Mennega, houtkoper te Assen, voor ƒ4750,-. Het werd gegund aan de laagste inschrijver. Het werk moest tussen 15 Sept. en 1 Oct. 1868 opgeleverd worden. De begroting was ƒ4206,17, maar er waren bijvoegings gedaan. Volgens de burgemeester was de voornaamste reden voor die hogere inschrijving dat de toestand van het veen de geregelde aanvoer van materialen belem merde.
Intussen was er een terrein aangekocht van Mr. J.A.Willinge Gratama te Assen, 1 ha, voor ƒ200,-.
In de raadsvergadering van 9-9-1868 werd een verzoek besproken van Hendrik Karel Frederik Emilius van den Bosch, onderwijzer te Nieuw Dordrecht, om overplaatsing naar de school in Compascuum. Dit werd aangenomen, de overplaatsing zou gebeuren op een nader te bepalen tijdstip.
Half October 1868 waren school en woning gereed. Aannemer Mennega werd ƒ350,- gekort wegens te late oplevering. Het geheel stond op 80 dennen heipalen. Deze eerste school stond in wat toen het centrum van B.C. was, later woonde daar Bernard Wilken, daarna Hendrik Dijck en Heidotting.
De school bestond uit één grote ruimte, er waren geen lokalen. Op 8 December werd Hendrik van den Bosch feestelijk ingehaald van Nieuw Dordrecht en kon hij hier zijn taak beginnen. Meester Bosch, zo werd hij hier genoemd, had het 's zomers gemakkelijk, dan gingen er wei nig kinderen naar school. Er was geen leerplicht. s Winters kwamen er des te meer, rond 1890 soms meer dan 100. Dan had hij hulp van één of twee flinke oudere leerlingen. Twee keer heeft hij hulp gehad van een onderwijzer, beide keren slechts voor enkele maanden. B.C. was niet gelieft bij de leerkrachten. Het salaris was ook niet best. Van den Bosch had jaren lang ƒ350,- per jaar + vrije woning. Langzaam is dat opgetrokken, tegen 1880 bedroeg het ƒ750,-.
Toen in 1873 de bewoning van Zwartemeer op gang kwam, behoorden ook die kinderen tot onze school. Meester Bosch is hier lang gebleven, in 1893 werd hem wegens gezondheidsre denen en gevorderde leeftijd, 74 jaar, eervol ontslag verleend. Het pensioen bedroeg ƒ500,- per jaar. Hij vertrok met zijn gezin naar Barger-Oosterveen (Klazienaveen), waar hij op 1-10-1895 overleed.
Zijn opvolgers zijn hier meestal maar enkele jaren geweest. In 1897 kwam er een school in Klazienaveen, meester de Vries werd van hier overgeplaatst en was daar het eerste hoofd. De kinderen van Zwartemeer gingen toen ook naar die school, de weg er naar toe was beter. Vanaf het begin van de jaren 90 werd hier s winters herhalingsonderwijs (avondschool) ge geven. Er werd maar matig gebruik van gemaakt, maar het heeft toch goed gewerkt, vooral voor de kinderen die alleen de school hadden bezocht in de wintermaanden.
Vanaf 1899 kon het hoofd rekenen op één, later op twee onderwijzers. In 1902 werden som mige scholen in de gemeente verdeeld door een tussenschot , waardoor men twee lokalen kreeg. Maar de school van B.C. was hiervoor niet geschikt. In 1903 werd het salaris van het hoofd te B.C. verhoogd met ƒ100,- wegens de geringe belangstelling voor die functie.
Met de vervening kwamen er hier veel kinderrijke gezinnen bij. De school raakte overvol. In 1904 sprak men over de bouw van een nieuwe school, in 1905 werd de bouw aanbesteed van een Hulpschool met 3 lokalen plus onderwijzerswoning. Het werd gebouwd door M. van Buiten van Nw.Amsterdam voor ƒ14790,-. Eind 1906 werd het perceel met de oude school en woning verkocht. B.G.Wilken verbouwde de onderwijzerswoning tot café, winkel en woonhuis.
Begin 1907 bedroeg het aantal leerlingen 137 en begin 1908 was dat 148. Er zou een derde onderwijzer moeten komen maar dat zou moeilijk gaan omdat B.C. afgelegen lag en slechte huisvesting bood. Daarom werd besloten de grenzen van de schoolkringen te verleggen. De kinderen uit het noorden van de Maatschappij moesten toen b.v. naar Klazienaveen-Noord.
Enkele jaren later raakte de school weer overvol, ondanks dat de kinderen uit het zuiden van B.C. naar Zwartemeer en die uit het noorden naar Emmercompascuum gingen. In 1912 werd besloten om bij de school twee hulplokalen te bouwen, begin 1913 was de aanbesteding. Het werd gebouwd door J.Oldekamp van Nw.Amsterdam voor ƒ8860,- + ƒ1847,- voor de inrichting.
Het hoofd der school E.G. van Bolhuis, 1911-1915, schreef een roman over het leven hier. Het heet Aan het eind van de wereld - Verhaal uit de Drentsche Venen. Het is hier weinig bekend geworden.
Intussen was het nog altijd moeilijk om leerkrachten naar hier te krijgen, ondanks toeslagen op het salaris. Er werd vaak gewerkt met tijdelijke krachten. In 1917 werd in de raad van Emmen een adres van het personeel van B.C. behandeld om een vergoeding te krijgen wegens de slechte weg naar de school; ter zake;
1. de slechte weg van Sluis II naar de school te B.C.,
2. het tengevolge sub 1. steeds met natte voeten op school komen,
3. slijtage aan kleren dientengevolge,
4. het niet kunnen vinden van een kosthuis te B.C.
Er werd afwijzend beschikt, overwegende dat voornoemde omstandigheden bij de aanneming volkomen bekend mogen worden te zijn geweest, en terzake ook moeilijk een bedrag zou zijn te bepalen.
De grootste toeloop van veenarbeiders kwam tijdens de 1ste wereldoorlog. Het was de glorie tijd voor de vervening. De school raakte weer overvol. Eind 1918 besloot de raad tot het op richten van een hulpschool aan de Limietweg, het werd O.L.S. II. De raad besprak in Oct. 1919 ook het bouwen van een school in het noorden van B.C., O.L.S. III. Intussen lagen de plannen klaar voor het oprichten van een Christelijke school. Over deze scholen later meer.
Figuur Schoolfoto O.L.S. 1 II 1902Figuur Schoolfoto O.L.S. 1 I 1914
Figuur Schoolfoto O.L.S. 1 II 1914
Figuur Schoolfoto O.L.S. 1 IV 1914
Figuur Schoolfoto O.L.S. 1 V 1914
Toelichting: Vier schoolfoto's genummerd I, II, IV en V op dezelfde dag en plaats genomen, wat suggereert dat er ook nog een foto III is. De vier leerkrachten zijn op alle foto s dezelfde, links op foto V: E.G. Bolhuis en Jan Tonkens, rechts A. De Ruiter en Bine Havinga.
Figuur Schoolfoto 1923 groep 1Vanaf 1920 begon de grote crisis in het veenbedrijf. Dat had ook tot gevolg dat veel gezinnen vertrokken, vooral naar Twente, Eindhoven en Limburg. De scholen verloren veel leerlingen.
Door onbekende oorzaak brandde op 12-1-1922 de hulpschool met de twee lokalen af. Met de stoomspuit van de firma Scholten kon het andere schoolgebouw en de woning gered worden. Op 1-7-1922 was de aanbesteding van een tweeklassige hulpschool op bestaande fundering. Laagste inschrijvers waren L.Herder en K.Leffering van Emmercompascuum voor ƒ6975,-.
Met de oprichting van de R.K. school in 1929 verloren de openbare scholen het overgrote deel van hun leerlingen. Over de geschiedenis van die school is verderop iets te lezen.
In de raadsvergadering van 14-3-1930 werd de toestand behandeld van de openbare scholen in B.C. Het aantal leerlingen van O.L.S. I was teruggelopen van 167 naar 26 en van O.L.S. II van 117 naar 48. Het leek de raad ongewenst de twee scholen in stand te houden en men besloot tot het bouwen van één nieuwe drieklassige school aan het Verlengde Oosterdiep. De beide overbodig geworden scholen zouden worden opgeheven.
De aanbesteding had op 4-8-1931 plaats. De bouw van de school met drie lokalen en een on derwijzerswoning werd opgedragen aan J. van Ess te Emmen voor ƒ20339,-. Het werd een openluchtschool , de eerste in de gemeente, zo schreef men een beetje trots. De inwijding door wethouder Sibon gebeurde op 14-1-1932. Het hoofd van school I. J.van Brummelen, verhuisde van de oude naar de nieuwe school.
De overbodig geworden O.L.S. II werd gebruikt voor huisvesting van dakloze gezinnen, er was woningnood. De oude O.L.S. I, waarvan al 3 lokalen bewoond werden, werd verkocht op 26-2-1932. Verkocht werd; de onderwijzerswoning, de schoolgebouwen met samen 5 lokalen en het perceel grond, groot 38,55 a. Koper was H.Heijes van Klazienaveen voor ƒ1010,-. Er werden zeven gezinnen in gehuisvest. Wat eerst als tijdelijke bewoning was bedoeld, heeft geduurd tot enkele jaren na de oorlog.
De nieuwe O.L.S. I begon met drie leerkrachten en 70 leerlingen. Dat aantal leerlingen daalde nog in de loop van de jaren. In 1945 werden er wegens woningnood ook twee gezinnen in ondergebracht die uit Duitsland kwamen na de bevrijding. Ze hebben er enkele jaren ge woond.
In 1982 werd het 50-jarig bestaan van de school gevierd. De school kreeg een nieuwe naam; 't Korhoen. Maar toen was het leerlingenaantal in de loop der jaren al gedaald tot 34. Dit aantal liep nog verder terug.
In Augustus 1992 werd 't Korhoen gesloten wegens een tekort aan leerlingen. Een maand later werd de school gesloopt.
Lijstje van hoofdonderwijzers van de oude O.L.S. I.
H.K.F.E. van den Bosch 1868 - 1893
H. de Vries 1893 - 1897
P.F. Matthijssen 1897 - 1900
J. Jager 1900 - 1903
G. Mollema 1904 - 1905
R. Dijkstra 1905 - 1906
J. Joosten 1906 - 1908
J. Sijderius 1908 - 1911
E.G. van Bolhuis 1911 - 1915
F.A. van Dongen 1916 - 1922
Th.C.M. Smit 1922 - 1924
B.J. Brok 1924 - 1926
M. Soesbergen 1926 - 1929 werd hoofd R.K. school
J. van Brummelen 1929 - 1932 dan naar nieuwe school
Lijstje van hoofdonderwijzers van de nieuwe O.L.S. I.
J. van Brummelen 1932 - 1937
D. de Boer 1937 - 1943
K. Spreen 1943 - 1946
I. Haanstra 1946 - 1952
H.A.J. Noback 1952 - 1954
G. Everts 1954 - 1958
J.D. Vroege 1958 - 1962
J. Meinema 1962 - 1986
J. Gevers 1986 -
Eind 1918 besloot de raad van Emmen tot de oprichting van een hulpschool aan de Limiet weg-Zuid, bij het vonder. Van H.Bosscher te Stadskanaal werd een perceel grond aangekocht voor ƒ3000,-.
Het werd een houten school met drie lokalen, zonder onderwijzerswoning. Er werden oude lokalen van Roswinkel in verwerkt. Op 12-8-1919 werd de school geopend. Eerste hoofd werd G.J.Dijkstra, tot dan onderwijzer aan O.L.S. I. Omdat hier geen geschikte woningen of kosthuizen waren, woonde het personeel in Zwartemeer of Klazienaveen. Ook hier moest vaak met tijdelijke leerkrachten gewerkt worden.
Toen de St. Theresiaschool er was daalde het leerlingenaantal van 117 naar 48. De bouw van de nieuwe school aan het Oosterdiep maakte O.L.S. II overbodig. Wegens de woningnood werden er gezinnen in gehuisvest. Enkele jaren na de oorlog werd het schoolgebouw afgebroken.
Hoofden van O.L.S. II.
G.J.Dijkstra 1919 - 1922, dan naar O.L.S. III
A. Doosjen 1922 - 1928
T. Prins 1928 - 1930
H. de Jongste 1930 - 1931
In October 1919 werd in de Raad van Emmen gesproken over het bouwen van een O.L.School in het noorden van B.C. Hiervoor werd 60 are grond aangekocht van de vervener J.Velema voor 4500.-. De school kwam aan de westzijde van het Oosterdiep op plaats 16. De aanbesteding was in Dec. 1920; een school met 3 lokalen, plus onderwijzerswoning. Laagste inschrijver was H.Koster van Emmercompascuum voor 42843.- en 17980.-. Het heeft nogal lang geduurd voor er een hoofd werd benoemd. Het werd G.J.Dijkstra, vanaf 1-7-1922, tot dan hoofd van O.L.School II.
Door het vertrek van veel gezinnen in de 20-ger jaren toen hier de grote veencrisis was en het oprichten van de Katholieke school in 1929, verloor ook deze school veel leerlingen. Na de bevrijding in 1945 werden ook in deze school een paar gezinnen ondergebracht, die toen uit Duitsland kwamen. Het laatste hoofd der school, van Brummelen, vertrok eind 1952, korte tijd later werd de school opgeheven. De onderwijzerswoning heeft nog lang dienst gedaan als woning, tot alles werd gesloopt.
Hoofden van O.L.School III.
G.J.Dijkstra 1922 - 1926
P.J.Duinkerken 1926 - 1939
P.H.van Brummelen 1939 - 1952
Met de vervening kwamen hier veel arbeiders die voor het merendeel Protestant waren. Na de komst van evangelist G. van der Gronden in 1917 werd er al gauw gewerkt aan een Her vormde Schoolvereniging om te komen tot het oprichten van een eigen school. Hij werd hier bij gesteund door zijn collega Braakhekke van Emmercompascuum.
De plannen werden in 1919 doorgezet. Men wilde niet wachten op de nieuwe L.O.wet, waar bij de financiering van openbare en bijzondere scholen gelijkgesteld werden.
Het bouwterrein werd geschonken door de firma Bick en Co. te Nw.Pekela, die toen eigenaars waren van veenplaats 23. Op 15 Dec. 1919 had de aanbesteding plaats van de school en on derwijzerswoning. Laagste inschrijver was H.Koster te Emmercompascuum, die tevens de architect was; voor de school ƒ33527,- en woning ƒ9264,-. Aan hem werd het werk gegund.
Op 5-5-1920 had de inwijding van de School met den Bijbel plaats. Eerste hoofd was de heer F. Brouwer. Hij had twee leerkrachten, er werd begonnen met 125 leerlingen. Dit aantal liep nog op tot 168 in 1922, toen waren er vier leerkrachten. In verband met de crisis in de veende rij kwam er een uittocht van arbeiders in 1923 en volgende jaren. Het aantal leerlingen daalde snel.
Omdat men niet gewacht had op de gelijkschakeling van openbaar en bijzonder onderwijs is de financiering van de schoollasten jarenlang moeilijk geweest. Men redde het door collectes en de uitgave van obligaties.
Na de 2de wereldoorlog zijn er door de aflopende vervening weer gezinnen vertrokken, waar door ook deze school weer leerlingen verloor. In 1962 waren er nog 42 leerlingen.
In 1970 kwam er een nieuwe Christelijke school aan de Pastoor Vroomstraat. Ook de Her vormde kerk werd hierin ondergebracht. Dit Hervormd Centrum heet De Hille. De oude school en onderwijzerswoning, alsook de Hervomde kerk werden toen verkocht.
Na de opheffing van de openbare scholen, de laatste in 1992, zijn hier nu nog de St.Theresiaschool en de Christelijke school.
Hoofdonderwijzers van de Christelijke school
F. Brouwer 1920 - 1932
E.M. Verhoef 1932 - 1946
J. Zwart 1946 - 1953
T. Brand 1953 - 1957
F. Kuper 1957 - 1961
G. Kamphuis 1961 - 1969
J. Maalderink 1969 -
B. Hilbrands -
Hoewel de meerderheid van de bevolking Katholiek was heeft het lang geduurd voordat hier een Katholieke school kwam. Het terrein waar de school zou komen moest eerst ontveend worden. Onder pastoor Schweigmann was het eindelijk zover.
Onder architectuur van Backs uit Groningen werd eind 1928 de school met 5 lokalen en de onderwijzerswoning aanbesteed. J.W. Scholte Aalbes van Klazienaveen bouwde het; school ƒ29070,-, en woning ƒ6780,-.
Op 15-10-1929 werd de school in gebruik genomen. Er werd begonnen met 222 leerlingen en vijf leerkrachten. Hoofd werd de heer M.Soesbergen, tot dan hoofd van O.L.S. I.
Bij het nieuw benoemde personeel waren de jonge onderwijzers J.B.Kuis en H.J.Engelbertink, een tijdje later gevolgt door E. van Vliet. Deze drie zijn hier gebleven en hebben zich ook buiten het onderwijs zeer verdienstelijk gemaakt voor de parochie en voor ons dorp.
Het aantal leerlingen groeide. In de loop der jaren moest er drie keer een lokaal bij gebouwd worden. Het maximum leerlingenaantal werd bereikt in Mei 1945, toen telde men 357, maar daar waren een 40-50 evacuees bij die de winter 1944- 45 en het voorjaar hier doorbrachten.
In 1979 werd het 50-jarig bestaan gevierd. De school telde toen 183 leerlingen. Dit aantal is nog verder teruggelopen.
Hoofden van de St.Theresiaschool.
M. Soesbergen 1929 - 1931
G.A.M. Kroese 1931 - 1948
J.B. Kuis 1948 - 1974
W. van Noort 1974 - 1976
H.H. Westen 1976 - 1987
A.M. Velthuis 1987 -
Door de Centrale Vereniging voor den Opbouw van Drenthe, afgekort Opbouw Drenthe werden rond 1925 veel buurthuizen gesticht. In 1929 was B.C. aan de beurt. Op 18-11-1929 werd het buurthuis geopend door de Commissaris der Koningin. Het was gebouwd door aan nemer L.Lubbers van hier.
Er werden jarenlang cursussen gegeven op huishoudelijk gebied, naai- kook- en moedercur sussen en ook b.v. timmercursussen. Daarnaast werden ook culturele avonden gegeven.
Een gedeelte van het buurthuis was ingericht tot kleuterschool. De eerste kleuterleidster was mej. A.Weggemans. Het was jarenlang de enige kleuterschool hier. Het werd gebruikt tot 1960, toen werd het buurthuis verkocht. De kleuterschool verhuisde naar O.L.School I.
Intussen was er in 1958 ook een kleuterschool bij de R.K.school gekomen.
De geschiedenis van de Katholieke parochie is uitvoerig beschreven door meester J.B. Kuis in zijn boek Compascuum 1873 - 1948. Daarop aansluitend verscheen in 1998 het boekje B.C. - 125 jaar Sint-Josephparochie , geschreven door de heren H. Feringa en M. Wehkamp.
Het is daarom niet nodig dit hier te herhalen.
Een pastoor, de onderwijzers en een evangelist waren vroeger de vooraanstaande mensen in een dorp. Zij hadden gestudeerd en boden vaak hulp, ook bij maatschappelijke problemen. De geestelijken waren niet alleen de drijvende krachten bij het oprichten van Godsdienstige verenigingen, maar stonden vaak ook aan het begin van b.v. Boerenleenbank, Landbouwvereniging en Plaatselijk Belang.
Er hadden hier vanaf het begin wel enkele Protestantse families gewoond, maar met de vervening kwam hier een invasie van echte veenarbeiders, die voor het merendeel Protestant wa ren.
Vervening begon 1900 en bereikte onder de Eerste Wereldoorlog haar hoogtepunt. Van de eerste jaren is weinig bekend over de opvang op kerkelijk gebied, hun aantal zal toen ook klein zijn geweest.
Toen W. de Weerd zich in 1904 te Klazienaveen-Noord als evangelist vestigde, stond daar al het houten kerkje op het bovenveen. Het was geschonken door de firma Scholten op verzoek van evangelist Braakhekke van Emmercompascuum, die in dat kerkje ook de diensten verzorgd had.
Tot het werkterrein van de Weerd behoorde ook B.C. Door de afstand en de slechte wegen zal er van hier weinig kerkbezoek zijn geweest. Maar op verzoek van enkele belangstellenden gaf meneer de Weerd hier Bijbellezingen en catechisatie omstreeks 1910. Dat gebeurde dan in een arbeiderswoning. Als bewoners ervan worden genoemd; Andries Langenberg, Jan Dokter en een de Jonge. Later gaf de Weerd ook catechisatie in de O.L.S. I.
Op kerkelijk gebied kwam er in 1917 een grote verbetering toen de heer G. van der Gronden hier werd benoemd als evangelist. Het kerkje van meneer de Weerd werd overgenomen en verplaatst naar hier. In Klazienaveen-Noord behielp men zich met de afgedankte school die als kerkgebouw werd ingericht in afwachting op de bouw van een nieuwe kerk.
Het gebouwtje, bestaande uit houten schotten en bedekt met asfalt, werd overgebracht naar hier op plaats 24. Het hulpkerkje werd op 9-12-1917 met een kort woord van evangelist de Weerd ingewijd. Daarna bevestigde dominee Roose de nieuwe evangelist van der Gronden. Bij de inwijding en bevestiging waren 70 a 80 mensen aanwezig. Voor meneer van der Gronden en zijn gezin stond geen pastorie gereed, ze kwamen te wonen in een arbeiderswoning van de D.V.Mij.
Meneer van der Gronden heeft hier hard gewerkt en veel tot stand gebracht. Veel verenigingen werden opgericht en kwamen tot bloei, o.a. de Jongelings- en Jongedochtersverenigingen, de Vrouwenvereniging; 'Dient de Heere', de jongensvereniging Jonge Kracht, de Chr. Geheelonthoudersvereniging en andere. Ook was hij actief op maatschappelijk terrein, o.a. bij de (her)oprichting van; Plaatselijk Belang.
Op gevaar af anderen tekort te doen volgen hier enkele namen van hen die als bestuursleden hun best hebben gedaan voor het kerkenwerk; O.Alkema, Thijs Wachtmeester en zoon Jan, P.Duinkerken, L.Moes, H.de Boer, A.Boender, M.Wilbers en Jan Mulder, hij was meer dan 25 jaar koster.
In 1919 werd een Schoolvereniging opgericht om te komen tot de stichting van een School met den Bijbel. Het bestuur bestond uit G.van der Gronden, F.Smit, O.Alkema, G.Olijve, G.Huigen, T.Wachtmeester en J.Brunink.
In 1922 kreeg meneer van der Gronden eindelijk een pastorie. Het werd gebouwd door de Gebr. Lubbers van hier voor 9479,-.
Hoewel de toestand in de veenderij ongunstig was kwam men in 1926 tot de bouw van een nieuwe kerk met vergaderlokaal. Het oude hulpkerkje, waar het 's winters heel koud kon zijn en 's zomers erg heet, begon nog meer gebreken te vertonen. Architect van de nieuwe kerk was A.H.Kleinenberg van Musselkanaal. De kerk werd gebouwd door K. en J.Lanting van Ter Apel voor 12300,-, en werd betaald door de vereniging Geestelijke en Maatschappelijke Zorg in Drenthe.
In Sept. 1926 werd de eerste steen gelegd door meneer van der Gronden. Hij hield een korte toespraak, daarna sprak ds. Wartena van Nw. Dordrecht, onder wiens gemeente deze Evangelisatie viel. Verder spraken de heren J.R.Snoeck Henkemans en dr. C.W.Th. baron Boetzelaer van Dubbeldam, bestuursleden van bovengenoemde vereniging. De evangelisten De Weerd en Braakhekke spraken hun gelukwensen uit. De inwijding van de nieuwe kerk gebeurde op 20 December 1926 met veel toespraken en gelukwensen.
Het hulpkerkje werd weer afgebroken en opgebouwd in Jipsingboermussel (Ter Apelkanaal). Het leek wel onverwoestbaar, tot voor enkele jaren deed het nog dienst als kerk, het is nu verdwenen.
In de jaren die volgden zijn door de werkeloosheid veel gezinnen vertrokken om een beter bestaan te vinden. Ze migreerden vooral naar Twente, Eindhoven en Limburg. Het ledental van de kerk liep erg terug.
Na hier 12 jaar veel goed werk te hebben verricht vertrok evangelist van der Gronden op 7-4-1929 naar Borne. Zijn opvolgers waren; H.de Vos 1929-1931, A.Dubbeldam 1931-1937, E.Mik 1937-1946, R.Blaauwiekel 1946-1950.
Figuur Detail: gevelsteen NH kerk 1935 (N.B. niet opgenomen in het te bestellen boek)
Bron Adriaan Wind
De luidklok werd in de oorlog door de Duitsers weggehaald, maar is al spoedig na de oorlog vervangen door een nieuwe.
Door het teruggelopen ledental ging men in de 60-ger jaren over tot aansluiting bij de Hervormde gemeente van Zwartemeer. De voorganger, meneer R.Pomp, werd in 1962 benoemd als werkzaam in B.C. en Zwartemeer.
In 1967 is er sprake van 35 werkende leden. Omdat de inmiddels veel te grote kerk teveel onderhoudskosten ging vergen werd gedacht aan nieuwbouw. Hetzelfde gold voor de Christelijke school. Men kwam tot de bouw van een school en kerk onder één dak in het centrum van B.C. aan de Pastoor Vroomstraat. Op 8-6-1970 opende wethouder Zegering Hadders dit gebouw. Het kreeg de naam De Hille.
De jaren 90 brachten nog meer verlies van leden door vertrek en ontkerkelijking. Het aantal kerkbezoekers was zo klein geworden dat men besloot niet meer te kerken in De Hille. Sinds 1995 gaan de trouwe kerkgangers naar Zwartemeer en Klazienaveen-Noord.
Dit is in het kort de geschiedenis van de Hervormde gemeente die veel goed werk heeft verricht en hier haar glorietijd en teruggang beleefde.
Naast de Hervormden is hier ook een kleine groep Gereformeerden actief geweest. In de Emmer-Courant van 8-12-1917 leest men dat door ds. C. de Jonge uit Kampen hier officieel een Oud-Gereformeerde gemeente is gesticht. Er was toen tevens het bevestigen van de ouderlingen en diakenen en er werd een 11-tal kinderen gedoopt. Het was een blijde avond voor de leden.
Vermoedelijk hebben ze eerst kerkdiensten gehad in het huis van één van de leden. Maar op 15-12-1917 werd er in een advertentie dank betuigd aan allen die met milde gaven geholpen hadden tot het stichten van een hulpkerkje. Namens de Kerkeraad ondertekende voorzitter Hendrik Bergsma.
Het zal wel geen toeval geweest zijn dat het samenviel met de oprichting van de Hervormde gemeente.
Op 25-5-1918 werd het hulpkerkje te koop aangeboden wegens het bouwen van een nieuwe kerk. Inlichtingen verschafte Hendrik Bergsma. De bouw van een nieuwe kerk is niet doorgegaan. Het houden van diensten van de Oud-Gereformeerde (soms Christelijk Gereformeerde) gemeente is in 1918 en 19 nog wel doorgegaan. Daarna hoort men er niets meer van.
Misschien was de groep te klein en hebben ze zich aangesloten bij hun broeders te Emmercompascuum of Zwartemeer, waar in 1921 een nieuwe Gereformeerde kerk werd gebouwd.
De eerste katholieke inwoners van B.C. de Maatschappij en Nieuw-Dordrecht Vastenow werden begraven in Erica, Rütenbrock en Hebelermeer in de periode 1862 tot juli 1876.
In 1876 was het R.K. kerkhof gereed in B.C. Daar werden katholieken begraven uit B.C., tot 1904 ook uit Zwartemeer en Nieuw-Dordrecht. Niet-katholieken werden waarschijnlijk begraven in Nieuw-Dordrecht en Roswinkel. Het oude kerkhof bestond uit twee delen: het eerste en tweede gedeelte. Johann Bernard Franz Gebbeken, een jongen van 10 jaar, werd als eerste begraven in juli 1876 op het eerste gedeelte. In 1896 werd Anna Adelheid Wilken-Nögel als eerste begraven op het tweede gedeelte. Wat tegenwoordig over is van het oude kerkhof is in feite het zogenaamde tweede gedeelte. Het eerste deel is verdwenen, het hoogveen is afgegraven. Tot 1943 was het oude kerkhof in gebruik, vanaf dat jaar werden mensen op de nieuwe kerkhof begraven. Ongeveer 27 mensen zijn herbegraven van het eerste gedeelte van het oude kerkhof naar het nieuwe kerkhof. Herbegraving van het eerste naar het tweede deel van het oude kerkhof kwam ook voor. Op het eerste, inmiddels afgegraven, gedeelte waren bijna 400 mensen begraven, op het tweede gedeelte liggen tegen de 700 mensen begraven, samen ruim 1000.
Vanaf 1972 is het oude kerkhof deel van het museumdorp, officieel Veenpark. Nieuwste ontwikkeling is deze wijziging ongedaan te maken en het oude en nieuwe kerkhof landschappelijk gezien samen te trekken. Op het nieuwe kerkhof worden ook niet-gelovigen en mensen van andere gezindten begraven.
Sinds 1972 is een lijst van mensen die begraven zijn op het oude kerkhof in omloop. Die lijst heb ik destijds gemaakt en is door voortschrijdend inzicht aan herziening toe. In dit werkstuk is ervoor gekozen de verbeterde lijst alleen te publiceren via de internetversie. Argumenten hiervoor zijn de betere doorzoekbaarheid op internet en de omvang van de lijst, ruim duizend personen! Per persoon zijn vermeld: overlijdensdatum, naam, woonplaats, ouders indien niet gehuwd, echtgenoot/echtgenote indien gehuwd. Soms vindt u in de kolom opmerkingen extra informatie, zoals plaats van overlijden indien niet thuis, doodsoorzaak of weduwe/weduwnaar indien gehuwd geweest. In de lijst is aangegeven welke mensen herbegraven zijn van het oude naar het nieuwe kerkhof, voor zover bekend.
Hieronder volgt een overzicht van overleden katholieke Compascumers die in de periode van 1862 tot juli 1876 buiten B.C. begraven zijn.
|
Dag |
Maand |
Jaar |
Voorna(a)m(en) |
Achternaam |
Leeftijd |
Ouders |
Echtgeno(o)t(e) |
Opmerkingen |
Woonplaats |
| 21 | 11 | 1862 | Gerritdina | Schoenmaker | 8 | verdronken | B.C. | ||
| 28 | 04 | 1864 | Geert Harm | Bolk | 1 | Adelheid Bolk | *E., tijdelijk Hoge | Vastenow | |
| 29 | 06 | 1865 | Helena | Janknegt | 23 | Geert Wilken | vertrokken | Vastenow | |
| 27 | 07 | 1865 | Bernardus | Tier | 25 | A. Gesina Kramer | Assen | ||
| 19 | 09 | 1865 | Anna Maria | Soelman | 18 | B.C. | |||
| 30 | 10 | 1865 | Fentriene | Kappen | 0 | Adelheid Kappen | B.C. | ||
| 25 | 01 | 1866 | Harm Hendrik | Heckman | 22 | A.Gesina Huisman | Vastenow | ||
| 15 | 02 | 1866 | Angela Aleid | Scholte | 0 | Femia M. Scholte | B.C. | ||
| 07 | 05 | 1866 | Geert Harm | Robben | 0 | J.Heinrich Robben x A.Gesina Visker | B.C. | ||
| 24 | 03 | 1867 | Geert Harm | Bolk | 0 | Adelheid Bolk | B.C. | ||
| 12 | 04 | 1867 | Herman Gerhard | Kolmer | 51 | Gebina Kolmer | verdronken | Vastenow | |
| 17 | 07 | 1867 | Janke | Doornbos | 49 | Albert Zondervan | B.C. | ||
| 06 | 11 | 1867 | A. Catharina | Aa, van der | 0 | G.J. van der Aa x A. Schoenmaker | Ahe oftewel Aa | Vastenow | |
| 27 | 11 | 1867 | Lucas | Falke | 28 | + bij H.Wester | B.C. | ||
| 06 | 12 | 1867 | Jan Harm | Conen | 0 | H.H. Conen x A.G. Lubbers | Vastenow | ||
| 14 | 09 | 1868 | Johannes | Kuch Haitel | 14 | Ber. K. Haitel x M.A. Arends | B.C. | ||
| 21 | 10 | 1868 | Antoon Otto | Hoffman | 0 | J.H. Hofman x Euph. C. Enhus | B.C. | ||
| 08 | 12 | 1868 | Berend Hendrik | Scholte | 60 | weduwnaar | B.C. | ||
| 26 | 12 | 1868 | Euph. Catharina | Enhus | 33 | J.Herman Hoffman | B.C. | ||
| 12 | 01 | 1869 | Maria Margaretha | Kuhl | 8 | J.H.Kuhl x M.H.Kosse | B.C. | ||
| 14 | 03 | 1869 | Maria Elisabeth | Wevers | 34 | Ber. Hindrik Albers | B.C. | ||
| 12 | 04 | 1869 | Anna Maria | Felix | 83 | *Oldenharen, weduwe J.G.Kemper | B.C. | ||
| 14 | 04 | 1869 | Geert | Rolfes | 2 | Jan Harm Roelfes x A.G. Kemper | B.C. | ||
| 24 | 05 | 1869 | Helena | Krieger | 1 | Herman Krieger x Veronika Hoesman | B.C. | ||
| 08 | 06 | 1869 | Hindrik | Krieger | 3 | Herman Krieger x Veronika Hoesman | B.C. | ||
| 20 | 12 | 1869 | Anna Maria | Wolters | 68 | Jan Berend Albers | B.C. | ||
| 12 | 02 | 1870 | Anna Margaretha Aleid | Gosevoort | 1 | J.Berend Gosevoort x H. Wilmering | Nieuw-Dordrecht | ||
| 23 | 03 | 1870 | M.Gesina | Wupkes | 29 | Joh.Heinrich Brockman |
Nieuw-Dordrecht |
||
| 04 | 04 | 1870 | Anna Maria | Bos | 2 |
Jan Albert Bos x Maria Herbers |
|
|
B.C. |
| 30 | 05 | 1870 | A.Angela | Kamphuis | 37 | H.Bernhard Weusten | B.C. | ||
| 16 | 07 | 1870 | M.Gesina | Tholen | 39 | Harm Hendrik Kramer | B.C. | ||
| 30 | 09 | 1870 | Maria Aleida | Thole | 37 | Harm Hendrik Jansen | Vastenow | ||
| 01 | 10 | 1870 | Johannes Wilhelmus | Husers | 0 | Joseph Husers x Maria Gebina Colmer | Vastenow | ||
| 16 | 12 | 1870 | Maria Margaretha | Kruzel | 67 | J.H. Lubbers | +bijJ.B.Lubbers | Vastenow | |
| 19 | 02 | 1871 | Herman Joseph | Ahlers | 71 | weduwnaar van M.Angela Mulder | B.C. | ||
| 19 | 06 | 1871 | A.Catharina | Fisher | 9 | Jan Fischer x Anna M.Robben | B.C. | ||
| 23 | 09 | 1871 | M.Gesina | Falke | 38 | Jan Harm Wester | B.C. | ||
| 17 | 10 | 1871 | M.Elisabeth | Aalbers | 1 | Ber. Hin. Aalbers x M.Scholte | B.C. | ||
| 18 | 03 | 1872 | Joh.Bernard | Haitel | 14 | J.B. Haitel x M.Ang. Arens | B.C. | ||
| 11 | 10 | 1872 | Joh.Herm. | Nusse | 48 | Helena Storre | Angelsloo | ||
| 26 | 10 | 1872 | Govert Joh. | Tempelaars | 1 | Corn.Tempelaars x Al. Keizer | B.C. Emmerhout | ||
| 16 | 11 | 1872 | Harm Hindrik | Nusse | 0 | J.Heinrich Nusse x M.G. Wilken | Angelsloo | ||
| 29 | 01 | 1873 | H.Heinrich | Borgman | 0 | J.Jozeph Borgman x M.Catharina Reis | B.C. | ||
| 14 | 02 | 1873 | Heinrich | Lubbers | weduwnaar van Margaretha Krussel, +bij J.Herm. Lubbers | B.C. | |||
| 26 | 02 | 1873 | M.Elisabeth | Brinker | 29 | Johannes Herm. Lubbers | B.C. | ||
| 29 | 05 | 1873 | H.Hendr. | Conen | 0 | J.H.H. Conen x M.Gesina Koop | B.C. | ||
| 16 | 08 | 1873 | Geert Hindrik | Wubben | 4 | Jan Geert Wubben x M. Thecla Ahlers | B.C. | ||
| 19 | 9 | 1873 | Maria Helena | Weinans | 47 | Bernard Heinrich Brummer | B.C. | ||
| 27 | 9 | 1873 | Anna Maria | Veringa | 0 | J. Albert Veringa x M. Helena Bruns | B.C. (Zwartemeer?) | ||
| 3 | 10 | 1873 | Gerhard | Klöne | 2 | J. Bernard Klöne x Gertrud Bolk | Hebelermeer nu B.C. | ||
| 7 | 10 | 1873 | Johannes Herman | Wilkens | 0 | Heinrich Wilkens x A. Helena Albers | B.C. (Zwartemeer) | ||
| 19 | 10 | 1873 | Johannes Herman | Book | 10 |
Johann Book x Anna M. Bodden |
|
|
B.C. |
| 8 | 11 | 1873 | M.Tecla | Sandmann | 44 | Herh. Herm. Brinkmann | Smeulveen (Maatschappij) | ||
| 8 | 2 | 1874 | A. Margaretha | Berens | 0 | J.Bernard Berens x A.Helena Muller | B.C. | ||
| 17 | 10 | 1874 | A. Kath. | Hemelt | 0 | G.Hen. Hemelt x M.K. Van der Aa | B.C. (Zwartemeer) | ||
| 19 | 1 | 1875 | Margaretha Ad. | Tubben | 14 | B.Heinrich Tubben x Catharina Margaretha Fuhler | B.C. | ||
| 16 | 3 | 1875 | Anna M. | Hemelt | 4 | G.Hen. Hemelt x M.K. Van der Aa | B.C. (Zwartemeer) | ||
| 18 | 3 | 1875 | Geert Harm | Bolk | 1 | M.Adelheid Bolk | B.C. | ||
| 16 | 5 | 1875 | Helena | Krieger | 2 | Herman Krieger x Veronica Hussman | B.C. | ||
| 16 | 6 | 1875 | J.Henr. | Peters | 0 |
H.H. Peters x A.Gesina Robben |
|
|
B.C. |
| 14 | 7 | 1875 | Geert Peter | Aa, van der | 34 | Anna Margaretha Meijer | Smeulveen (Maatschappij) | ||
| 26 | 8 | 1875 | Maria Helena | Kuhl | 0 | Maria Adelheid Kuhl (x Gerhard Heinrich Albers) | B.C. | ||
| 7 | 10 | 1875 | Johann Bernard | Wusten | 31 | J.G. Wusten x M.Ad. Arends | +B.C. | (Rütenbrock) | |
| 29 | 12 | 1875 | J.Herman | Hemelt | 14 | G.H. Hemelt x M.K. Van der Aa | +Alkmaar | Zwartemeer | |
| 20 | 5 | 1875 | Harm Ber. | Berens | 74 | Hebelermeer +bij B.H. Mensing Nieuw-Dordrecht | |||
| 21 | 1 | 1876 | M.Gesina | Weser | 3 | J.Herm. Wester x M.Adelheid Feringa | B.C. | ||
| 6 | 3 | 1876 | M.Gesina | Pranger | 0 | M.Angela Pranger (xJ.Albert Enhus) | B.C. | ||
| 22 | 3 | 1876 | Jan Harm | Berens | 1 | J.Her. Berens x M.Gesina Schleper | B.C. | ||
| 18 | 4 | 1876 | Albert | Lubbers | 57 | Annechien Postema | B.C. | ||
Tabel Compascumers buiten B.C. begraven 1862-1876
Wie waar begraven ligt op het tweede gedeelte van het oude kerhof is grotendeels onbekend. Voor de onderstaande plattegrond is een kaart genaamd B.C. Oude begraafplaats uit 1972 van Gemeentewerken Emmen Beplantingen, archiefnummer D 308, schaal 1:100, afmetingen 50x55 als inspiratiebron genomen. De nieuwe plattegrond is in 2010 getekend, met dank aan Marietje Hartmann voor haar bijdrage. Uit de plattegrond blijkt dat er meer namen bekend zijn van mensen die ten zuiden van het middenpad begraven liggen dan ten noorden ervan. Aanvullingen zijn van harte welkom. |
Figuur Het oude kerkhof op het bovenveen 2001 Bron Pauline Berens |
Figuur Plattegrond van het oude kerkhof 2010, Bron Pauline Berens
Legenda Plattegrond van het oude kerkhof 2010
! locatie 2010 enigszins of heel anders dan volgens plattegrond 1972 ? locatie volgens plattegrond 1972 kon in 2010 niet bevestigd worden -> ontbreekt op plattegrond 1972, wel aangetroffen in 2010 |
+ sterfdatum ↑ kaartnoorden † kruis, monument van de onbekende pionier |
middenpad |
DE POSTBESTELLING IN B.C.In de eerste jaren zal de post door een postbode uit Emmen of Nieuw Dordrecht zijn rondgebracht. Vermoedelijk was er niet veel post voor hier, maar het bezorgen zal des te moeilijker geweest zijn. De eerste eigen postbode was Herman Engels, geboortig uit Zwolle. Hij kwam hier in 1875, daarvoor was hij nog enkele maanden postbode in Nieuw Dordrecht geweest. Zijn eerste vrouw overleed op 8 Febr. 1875 te Nieuw Dordrecht aan typhus. Hij hertrouwde op 15-10-1875 met Jantien Lubbers. In 1879 vertrok hij naar Weerdinge, later was hij postbode in Emmen. Hij werd hier opgevolgd door Johannes Hermannus Zwake ( bode Mans ), geboren in Nieuw Schoonebeek. Hij woonde naast de kerk op de plek waar eerder Kemper (84, pagina 104) gewoond had. 's Morgens werd de post uit Emmen gehaald en daarna besteld in het uitgestrekte Compascuum en rond het Zwartemeer, alles te voet. Later kwam er een hulppostkantoor in Nieuw-Dordrecht. Op een donkere avond, 17 Oct. 1896, verdronk Zwake in het pas gegraven Van Echtenskanaal. Zijn twee honden kwamen doornat thuis en deden het ergste vermoeden. Zijn opvolger als besteller was Herman Hermelink, tot dan knecht bij pastoor Groothuis. Hij was in 1872 geboren in Weerselo en is op 3-3-1971 te Haaksbergen overleden. Hij trouwde hier met Anna Helena Scholte Aalbes. Ze woonden in een huisje bij de molen. Hun twee oudste kinderen zijn hier geboren. Ze vertrokken in 1900 naar Denekamp. Daarna was Willem Engbers hier postbode, 1901-1904, vervolgens Jacob Kuik, daarna Hendrik Schaap. Intussen was er een postkantoor gekomen in Klazienaveen en in 1911 een hulpkantoor in Zwartemeer, van waaruit toen besteld werd. DE VERVENINGSTIJD VAN B.C.Met het oog op de naderende vervening kwam er in 1889 al een Waterschap in oprichting , in 1892 gevolgd door het Waterschap B.C. In 1896 kreeg het de concessie tot vervening. Het waterschap verzorgde de aanleg van de 2 hoofdkanalen. Hun uitvoerder (veenbaas) werd Jan Niesing. Men sprak daarom ook lang van de 2de Niesingswijk voor het kanaal aan de Limietweg dat later de naam Hoofdwijk III kreeg. Het Oosterdiep is dan vermoedelijk de eerste tijd de 1ste Niesingswijk genoemd. Met het Verlengde Oosterdiep begon men van twee zijden te werken. In het zuiden begon men al vóór 1900, toen het Van Echtenskanaal daar was, in het noorden toen het Oosterdiep tot daar gevorderd was. In 1920 was het kanaal gereed. Men kwam bij elkaar waar een paar jaren later de Hervormde kerk gebouwd werd. Hoofdwijk III was toen al klaar. In de aanvangsjaren van B.C. moet hier de veendikte ongeveer 6 meter geweest zijn. Dat was langzamerhand wel minder geworden, maar het veen bevatte in 1900 nog teveel water om vergraven te worden. Daarom groef men eerst diepe greppels voor men een paar jaar later met een splitting kon beginnen. Dat splittinggraven en daarna de kanaalaanleg gebeurde per jaar in lengten van ongeveer 200 m. omdat anders de turf te ver van het water kwam en het te duur zou worden om verscheept te worden. Alles moest met de hand gebeuren, ook het wijkgraven. Met de vervening kwamen hier een groot aantal echte veenarbeiders. Ook veel afstammelingen van de vroegere boekweitboeren werden veenarbeiders. Andere vestigden zich toen in Bargeroosterveld om daar als boer verder te gaan. De veenarbeiders die hier toen kwamen waren een ander slag volk. De meesten waren Protestant, maar niet erg kerks. De verhouding met de oude bevolking (Katholieken) was goed, misschien ook wel omdat ze allemaal hard moesten werken. En het werk in het veen was zwaar. De mensen die hier toen bij kwamen waren vanouds met het veen meegetrokken, na Friesland en de kop van Overijssel, dan Smilde, Hoogeveen, Dedemsvaart en Slagharen. En aan de andere kant de oude Groninger veenkolonies en dan de Drentse Monden. Uit al die oude veenkolonies kwamen ze naar de gemeente Emmen, waar vanaf 1850 het laatste grote veencomplex aangepakt werd. Het leek wel dat het voortdurend verder trekken er in bleef, ook onder de arbeiders die hier kwamen was een groot verloop, vooral werd er nogal veel gewisseld met de nieuwe veenkolonies aan de overkant, Schöninghsdorf en Fehndorf. Tot de 1ste Wereldoorlog was het veenbedrijf een redelijk renderend bedrijf, onder die oorlog werd het een winstgevend bedrijf. De vervening werd toen versterkt doorgezet en er kwamen nog veel meer arbeiders naar hier. In 1920 kwam de grote klap. Door de overvloed aan steenkolen die ons land binnenkwamen was de turf van 1919 bijna onverkoopbaar. Er kwam grote werkeloosheid en de lonen gingen drastisch omlaag. In de volgende jaren vertrokken veel arbeiders naar de industriegebieden, vooral naar Twente, Eindhoven en Limburg. Veel verveners gingen failliet, anderen gingen over tot verhuring van veenputten, waardoor soms arbeiders met grote gezinnen een beter bestaan hadden dan zij die van steun en werkverschaffing moesten rondkomen. De jaren 1920 - '40 zijn slechte jaren geweest, niet alleen voor de arbeiders. Figuur De molen van Eilering en het bos van Wilken Figuur Het centrum verschoof 500m. naar het oosten De laatste paar jaren voor de 2de Wereldoorlog kwam er een kleine opleving in het veenbedrijf, o.a. door het kwartje van Kan. Tijdens die oorlog kwam er nog eens weer een bloeitijd. Het zou de laatste bloeitijd zijn. In de 50-er jaren raakte hier het veen op. Toen heeft de nieuwe industrie van Emmen voor veel mensen uitkomst gebracht. Soms breekt er weer een discussie los over het leven van de veenarbeiders. De één zegt dat het niets dan bittere armoe was, de ander beweert dat het nog wel mee viel. Ze zullen allebei wel gelijk hebben. Soms lag het aan de mensen zelf die niet goed met geld konden omgaan en er met de verdiensten in het seizoen te royaal werd geleefd. Als de man drankzuchtig was, wat in enkele gevallen ook gebeurde, was het natuurlijk helemaal mis. Heel erg kon het ook worden door ziekte en overlijden in een gezin. Daar stonden wel veel flinke arbeiders tegenover die zich er door sloegen en soms nog wel een eigen woning overhielden. In de crisistijd hadden de kleine boeren het vaak niet beter. Hier volgen nog enkele wederwaardigheden uit die tijd, die niet rechtstreeks met de veenderij in verband staan. In 1907 werd de Postweg tussen de Molenwijk (W.Albertsvaart) en het centrum bij J.B. Wilken van een 50 cm. laag zand voorzien. De gemeente gaf hiervoor ƒ375,- subsidie. In het zelfde jaar werd de tramlijn die een paar jaar in Klazienaveen was blijven steken, langs het Scholtenskanaal doorgetrokken naar Ter Apel. Er zal van hier en ook naar hier wel niet zoveel gereisd zijn, maar het was toch al een hele verbetering. Bijna ieder jaar was er wel ergens veenbrand aan de Runde. Het veen was daar erg brandbaar en het vuur wilde er graag invreten. De brandspuit van de Fa. Scholten moest er vaak aan te pas komen. In de 30-er jaren kreeg B.C. een eigen brandspuit. Hij werd gestationeerd bij smid Pragt, Hartmann werd brandmeester. Animo voor de bediening (handkracht) was er genoeg, het werd tamelijk goed betaald. Bij kleine brandjes heeft het goed gewerkt. In 1923 kwamen hier de eerste verharde wegen, het zouden ook lang de enigen blijven. De weg langs de oostzijde van het Verlengde Oosterdiep kreeg een 3 meter brede klinkerbestrating, evenals de Postweg, vanaf het Oosterdiep tot het Scholtenskanaal. Er kwam in 1924 een afdeling Wit-Gele Kruis met één en later twee wijkverpleegsters. Die hebben hier heel goed werk verricht. Na een paar jaar was er een duidelijke verminderde kindersterfte. Aansluiting op het telefoonnet volgde in 1926 en in 1930 aansluiting op het electrisch net. In 1934 werd een afdeling Groene Kruis B.C.-Zwartemeer opgericht. Het gedeelte van de Postweg tussen het Oosterdiep en Limietweg werd uitgegraven en werd toen een zandweg. Eerder werd vaak gebruik gemaakt van de zandwal langs de wijk op plaats 27. Dat pad was beter begaanbaar. IETS OVER B.C. IN DE OORLOGBij de mobilisatie in September 1939 werden in de grensdorpen soldaten gelegerd. Zo kwam ook hier een groepje van 11 manschappen, later kwamen er nog een paar bij. De soldaten werden gehuisvest in het verenigingsgebouw (nu de Collink), de kommandant, luitenant Hummelen, was ingekwartierd bij de pastoor. Het waren allemaal Drenten. Bekende namen waren; korporaal Jansen, Hendrik Hoge, Eleveld, Klok, Ritsema, Koning, de Jong, van Gelder, Duiven en sergeant Speelman. In december werden ze afgelost door een groep Friezen, maar eind februari 1940 was de oude groep hier weer. Onderhands wisten ze wat ze moesten doen bij een inval van de Duitsers; de vijand zo lang mogelijk ophouden, b.v. door het laten springen van de bruggen en dan terugtrekken naar de Afsluitdijk. Op 10 mei 1940 's morgens tegen 4 uur werd elk wakker door het lawaai van vliegtuigen en het laten springen van de bruggen te Zwartemeer. Van de kommandant te Klazienaveen kwam de opdracht Brug laten springen. Dat gebeurde, maar het vuurkoord functioneerde niet en toen heeft sergeant Speelman met een handgranaat de trotylblokjes tot springen gebracht. Omdat de telefoon het niet meer deed kreeg soldaat Hoge opdracht per fiets naar Klaziena veen te gaan voor instructies. Hij werd daar als eerste van onze groep krijgsgevangen ge maakt. Doordat de Duitse troepen via Zwartemeer en Emmercompascuum naar Emmen trokken maakten de soldaten van hier dat ze wegkwamen. Sommigen zijn gevangen genomen, anderen zorgden voor burgerkleding. De krijgsgevangenen werden enkele weken later wegens groot moedigheid van de Führer vrijgelaten. Hoewel hier die 10de mei geen oorlogshandelingen zijn geweest kregen we nog enkele Duitse soldaten te zien. Een groepje van 10 man te paard was bij Greve over de grens gekomen en kwam om ongeveer 8 uur aan bij Boerland. Via een meegevoerd zendertje maakten ze contact met hun afdeling en trokken toen verder. De ongeveer 30 mannen uit ons dorp die als militair de oorlog meemaakten waren meest gele gerd in het westen van Nederland. Ze keerden na enkele weken behouden terug, behalve Hen drik Klein, die eerst na de oorlog terugkwam. Hij was ontkomen naar Engeland en had jaren lang dienst gedaan op geallieerde schepen. De oorlogstijd brak aan. Er was eerst nog weinig van te merken, behalve dat toen alles op de bon kwam. De strenge winters van 1940- 41 en 1941- 42 liggen nog beter in het geheugen. Over het algemeen bleef de voedingstoestand tamelijk goed. Hier waren in overvloed aardap pels en uit de tuin werd groente gehaald, vooral veel bonen. Bij de meeste mensen werd er ook geslacht, legaal en clandestien. Toch waren er aan het eind van de oorlog en kort daarna veel gevallen van t.b.c., soms met dodelijke afloop. De kleding werd er in de loop van de jaren niet beter op. Vooral de gezinnen met veel op groeiende kinderen kwamen in moeilijkheden. Door zwarte handel werd er nog wel eens het nodigste aangeschaft. Tabaksliefhebbers moesten zich al gauw redden met eigenbouw omdat er op de bon weinig te krijgen was. Dat heeft ook na de oorlog nog enkele jaren geduurd. Er brak een bloeitijd aan voor het veenbedrijf. Turf werd een felbegeerde brandstof. Alle veenplaatsen die nog niet in vervening waren werden toen aangepakt. Waar persturf gemaakt kon worden werd er soms in één campagne drie veenputten afgegraven wanneer het weer meewerkte. Werkvolk was er wel te krijgen omdat men dan vrijstelling kreeg voor uitzending naar Duits land. Deze opleving van het veenbedrijf duurde tot de 50-er jaren, toen was het veen op. Een tijdlang was het verzamelen van bentwortels een goedbetaalde bezigheid. Deze wortels wer den opgekocht en elders verwerkt tot surrogaatbezems, een echt oorlogsproduct. Altijd hadden er wel mensen van hier in Duitsland gewerkt. Maar het werd er niet beter op toen men gedwongen moest werken in Duitse steden in oorlogstijd. Velen ontsnapten hieraan door bij boeren of verveners aan de nabije overkant te gaan werken. Anderen doken onder. Drie inwoners van hier verloren het leven door bombardementen of ongelukken in Duitsland; B.H.Schulte, J.H.Berken en J.Jeuring. De jongemannen van de jaargang 1924 moesten in 1943 naar Hamburg. Ze troffen het daar heel slecht met een groot bombardement. Drie van hen gelukte het om tamelijk gauw terug te komen. De overigen kwamen na de oorlog behouden terug. Het overvliegen van massa 's geallieerde vliegtuigen leverde soms een fantastisch gezicht op, evenals het afweervuur van Duitse steden in het noordoosten dat soms op een heldere avond te zien was. Enkele vliegtuigen waren al eerder in de buurt neergestort, toen op de avond van 14 januari 1944 een bombardementsvliegtuig hier in het veld neerstortte. Het kwam neer tegenover plaats 38, westelijk van de Runde. De zes inzittenden vonden de dood en werden begraven te Nieuw-Dordrecht. Een paar keer werd er door vliegtuigen in nood bommen afgeworpen, zon der veel schade aan te richten. Op het eind van de oorlog veroorzaakten geallieerde jagers nog eens schrik door te schieten op enkele turfschepen die hier lagen. De schade viel mee, er werd wel een geit gedood. Voor het bezorgen van levensmiddelenbonnen voor onderduikers en het verspreiden van illegale blaadjes maakten zich vooral verdienstelijk Klaas Spreen, hoofd der openbare school en S. Veldman, onderwijzer aan de Katholieke School. Het aantal onderduikers wisselde nogal. Vaak wist men zich weer legaal te maken door vlak over de grens te gaan werken. Vooral bewoners van de Berkenrode hebben nogal eens onder duikers geholpen. Twee bewoners daar zijn nog eens in gevaar geweest toen in Emmer-Compas het joodse gezin Kropveld opgepakt was. Door mishandeling gedwongen bekende een zoontje van Kropveld dat zij in de Berkenrode geholpen waren door twee mensen vandaar. Die twee werden toen ook meegenomen, doch kwamen enkele dagen later weer vrij omdat ze aannemelijk konden maken dat zij hadden geholpen uit armoede. Zoals overal waren er hier al voor de oorlog enkele N.S.B.-ers. Het waren er niet veel als men bedenkt dat de meerderheid van de bevolking van Duitse oorsprong was. Een ander partijtje, de N.S.N.A.P., die voor aansluiting bij Duitsland was, had een beetje meer aanhang. Ze waren vooral te vinden in de z.o.-hoek van B.C. Toen de Duitsers hier goed en wel waren staken ze zich in het bruine uniform en roerden zich nogal. Dit partijtje werd later door de Duitsers op geheven. Bij de S.S. gingen van hier 8 - 10 jongemannen. Twee van hen sneuvelden, een andere werd later doodgeschoten bij een ontvluchtingspoging uit Westerbork. Toen de landwacht werd opgericht waren er hier ook mensen voor. Kommandant Hendrik Springer en een drietal an dere landwachters maakten hier en de omgeving voor de gewone mensen het leven onveilig. Na de oorlog hebben ze enkele jaren geboet voor hun gedrag. Volksduitsers moesten dienst nemen in het Duitse leger. De gezinnen Poker en Bernsen werden na de oorlog het land uitgezet omdat ze zich te enthousiast voor de Duitse zaak hadden ingezet. De gebroeders Bürmann deden het beter. Na hun gedwongen opleiding in de Wehrmacht doken ze onder. In de bevrijdingsdagen werden ze feestelijk ingehaald. Tot de slachtoffers van de bezetters behoorden ook H.de Vries en J.Trip uit Tuindorp. Na de inval in Rusland werden ze opgepakt omdat ze als communist bekend stonden. Ze stierven in een concentratiekamp. Slachtoffer werd ook de oud-compascumer Jan D.F.Brijan, zij het om andere redenen. Brijan, die in Emmen woonde, schijnt privé aan verzet te hebben gedaan. Hij hoorde tot de gefusileerden van de Woeste Hoeve op 8 maart 1945. Aan de oproep om kinderen uit het westen van het land te helpen, werd gehoor gegeven. In de herfst van 44 werd hier een aantal kinderen geplaatst en verdeeld over de gezinnen. Van de kinderen kwamen een 35-tal uit Haarlem. In de zomer van 1945 vertrokken ze weer. In februari 1943 werd de klok van de Hervormde kerk geroofd door de Duitsers, de klok van de Katholieke kerk liet men ongemoeid omdat ze te klein was. Het einde van de oorlog was in zicht. Op dinsdag 3 april 45 kwam hier 's morgens een 20-tal Duitse soldaten aan met paarden en wagens. Het waren oudgedienden die geen haast meer hadden. Ze verdeelden zich over drie boerderijen en stalden daar hun spul. Ze hadden 's nachts gereisd omdat ze erg bang waren voor vliegtuigen. Te eten hadden ze weinig anders dan oudbakken brood en margarine waar groene strepen doorliepen. Toen ze uitgeslapen waren in het stro op de deel gingen er een paar met een radio naar smid Pragt, omdat die nog electriciteit had. Ze wilden weten hoever de Tommies hier nog vandaan waren. De meesten zouden hier liever zijn gebleven, maar woensdagmiddag kregen toch de plichtsgetrouwen de overhand. De luitenant besloot toen om de volgende dag te vertrekken. Donderdag werd er tegen de middag opgebroken en vertrokken ze in noordelijke richting. Later ging het gerucht dat ze nog betrokken zijn geweest bij gevechten in Westerwolde. Diezelfde donderdag 5 april ging 's avonds het bericht rond dat de Canadezen al in Hebelermeer waren. Vrijdagmorgen gingen er veel Compascumers kijken. Van elk huis hing daar de witte vlag en de grensovergang was verlaten. Gelukkig waren ze zaterdagmiddag niet in Hebelermeer. Toen was daar een schotenwisseling doordat er een paar S.S.-ers waren opgedoken. Er brandde een schuur af, maar daarmee was het ook afgelopen. Dinsdag 10 april vochten de Polen zich naar Emmen, waarbij in Noord Barge nogal wat boerderijen in vlammen opgingen. De volgende morgen trokken ze via Emmercompascuum naar Ter Apel, en verder. Die Woensdag 11 april en de volgende dagen werd hier de bevrijding gevierd. BARGER-COMPASCUUM NA DE OORLOGDe armlastige gemeente Emmen stond al lang bekend om zijn vele krotwoningen. Ook B.C. had daarvan een ruim aandeel. Veel van die woningen stonden op het bovenveen, wat natuurlijk geen blijvende toestand kon zijn. Wel waren er al voor de oorlog door de gemeente groepjes huurwoningen gebouwd, waarvan ook hier een klein groepje was gekomen. Maar onder de oorlog was er niet bijgebouwd. Het was hier dus met het aantal en de toestand van de woningen slecht gesteld en de wethouder van Volkshuisvesting had een moeilijke taak. In 1946 kwam er woningbouw aan De Stekker en de St. Jozefstraat, een paar jaren later gevolgt door Het Spaan. Bij de naamgeving en volgende straten maakte meester Kuis zich verdienstelijk. Ook B.C. zou een dorpskern krijgen, in Emmen wilde men geen lintbebouwing meer. De woningbouw in de Pastoor Vroomstraat en de Van Den Boschstraat volgde in 1948. Met de wegen was het al eveneens treurig gesteld. Omdat er bij de aanleg van de straatweg langs het Oosterdiep het veen niet voldoende verwijderd was en het vrachtverkeer toenam op deze smalle doorgaande weg kwam die het eerst aan de beurt. In 1951 werd er begonnen aan een nieuwe weg die in 1952 geopend werd, een mooie 6 meter brede asfaltweg. In 1953 werd de Postweg W.Z. vernieuwd en verbreed. In hetzelfde jaar werd de brug over Hoofdwijk III, die lag in het verlengde van de Postweg, vervangen door een dam. De dam die lag op plaats 21 werd toen opgeruimd. Waterleiding kwam er in 1954 en in 1955 werd eindelijk de Limietweg en het laatste stuk Postweg verhard. In 1960 werd de Berkenrode, de van oudsher Maatschappijweg, uitgegraven en verhard. In 1962 kreeg B.C. nieuwe sportvelden. Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van 't Compas in 1966 werd o.a. de woningtoestand van vroeger uitgebeeld in het oude bosje van Wilken. Het was het begin van het veenmuseum, nu Veenpark. Het werd in de jaren 70 sterk uitgebreid dankzij subsidies van het Rijk, er wordt gesproken van 35 miljoen. Gelukkig stond de gemeente nog jarenlang garant voor de exploitatietekorten. Toen dat ophield kwamen er moeilijkheden. Het zou jammer zijn als het Veenpark niet zou blijven bestaan. In 1966 verrees ook de eerste woningbouw in het blok Postweg Oost, dat gevolgd werd door Posthoorn, Dissel enz. Het nieuwe Wit Gele Kruisgebouw kwam er in 1976 en in 1968 het Gymnastiekgebouw. De oude brug in het centrum verdween in 1970 en werd vervangen door een ruime dam. Daarmee kwam ook een einde aan de scheepvaart die de laatste jaren toch al sterk verminderd was. Riolering kwam er in 1972 evenals de bejaardenwoningen en de particuliere bouw van woningen in de JanBerendstraat. Aansluiting op het gasnet kwam in 1974. Het heeft een aantal jaren geduurd voor het recreatiepark met zijn vijver, paden en bos tot stand kwam. In 1977 werd dit prachtige visvijvercomplex geopend. Intussen werd ook de Westzijde Verl. Oosterdiep verhard en het lang verwachte fietspad werd in 1981 aangelegd plus de trottoirs in het centrum en tenslotte werd het laatste eindje weg langs het kanaal in het Zwartenberger Compascuum verhard. Deze opsomming is natuurlijk niet volledig, maar geeft een beeld van de verbeteringen van na de oorlog, waarbij, op een uitzondering na, alle bovenveenwoningen verdwenen zijn. Op het program van de Herindeling Veenkolonieën staat een straatwegje geprojecteerd Limietweg - Grens, die aansluiting geeft op het fietspad dat vanaf het Oosterdiep loopt tussen de plaatsen 37 en 38. Figuur Sociale woningbouw aan de St. Jozefstraat Figuur Dam (1970) met verkeerslichten (1995) BIJLAGE LIJST MET FOTO'SBIJLAGE INTERNETADRESSEN EN ANDERE BRONNEN
Figuur J.B. Berens 2006 Johan Bernard (Broer) Berens (1916) woont z'n levenlang al in B.C. Hij was 60 jaar boer. Als hobby combineert hij al decennia streekgeschiedenis en stamboomonderzoek. Behalve het werkstuk B.C. (2001) heeft hij ook niet-gepubliceerde werkstukken geschreven over Hebelermeer, de famile Berens en de vrouwelijke takken in de familie Berens. Zijn stamboomonderzoek, met name over voorouders uit het Emsland, vormde de basis voor het Pauline Berens Genealogieproject All in the family. |