IETS OVER B.C. IN DE OORLOG

Bij de mobilisatie in September 1939 werden in de grensdorpen soldaten gelegerd. Zo kwam ook hier een groepje van 11 manschappen, later kwamen er nog een paar bij. De soldaten werden gehuisvest in het verenigingsgebouw (nu de Collink), de kommandant, luitenant Hummelen, was ingekwartierd bij de pastoor. Het waren allemaal Drenten. Bekende namen waren; korporaal Jansen, Hendrik Hoge, Eleveld, Klok, Ritsema, Koning, de Jong, van Gelder, Duiven en sergeant Speelman. In december werden ze afgelost door een groep Friezen, maar eind februari 1940 was de oude groep hier weer.

Onderhands wisten ze wat ze moesten doen bij een inval van de Duitsers; de vijand zo lang mogelijk ophouden, b.v. door het laten springen van de bruggen en dan terugtrekken naar de Afsluitdijk.

Op 10 mei 1940 's morgens tegen 4 uur werd elk wakker door het lawaai van vliegtuigen en het laten springen van de bruggen te Zwartemeer. Van de kommandant te Klazienaveen kwam de opdracht Brug laten springen. Dat gebeurde, maar het vuurkoord functioneerde niet en toen heeft sergeant Speelman met een handgranaat de trotylblokjes tot springen gebracht. Omdat de telefoon het niet meer deed kreeg soldaat Hoge opdracht per fiets naar Klazienaveen te gaan voor instructies. Hij werd daar als eerste van onze groep krijgsgevangen gemaakt.

Doordat de Duitse troepen via Zwartemeer en Emmercompascuum naar Emmen trokken maakten de soldaten van hier dat ze wegkwamen. Sommigen zijn gevangen genomen, anderen zorgden voor burgerkleding. De krijgsgevangenen werden enkele weken later wegens grootmoedigheid van de Führer vrijgelaten.

Hoewel hier die 10de mei geen oorlogshandelingen zijn geweest kregen we nog enkele Duitse soldaten te zien. Een groepje van 10 man te paard was bij Greve over de grens gekomen en kwam om ongeveer 8 uur aan bij Boerland. Via een meegevoerd zendertje maakten ze contact met hun afdeling en trokken toen verder.

De ongeveer 30 mannen uit ons dorp die als militair de oorlog meemaakten waren meest gelegerd in het westen van Nederland. Ze keerden na enkele weken behouden terug, behalve Hendrik Klein, die eerst na de oorlog terugkwam. Hij was ontkomen naar Engeland en had jarenlang dienst gedaan op geallieerde schepen.

De oorlogstijd brak aan. Er was eerst nog weinig van te merken, behalve dat toen alles op de bon kwam. De strenge winters van 1940-41 en 1941-42 liggen nog beter in het geheugen. Over het algemeen bleef de voedingstoestand tamelijk goed. Hier waren in overvloed aardappels en uit de tuin werd groente gehaald, vooral veel bonen. Bij de meeste mensen werd er ook geslacht, legaal en clandestien.

Toch waren er aan het eind van de oorlog en kort daarna veel gevallen van t.b.c., soms met dodelijke afloop.

De kleding werd er in de loop van de jaren niet beter op. Vooral de gezinnen met veel opgroeiende kinderen kwamen in moeilijkheden. Door zwarte handel werd er nog wel eens het nodigste aangeschaft. Tabaksliefhebbers moesten zich al gauw redden met eigenbouw omdat er op de bon weinig te krijgen was. Dat heeft ook na de oorlog nog enkele jaren geduurd.

Er brak een bloeitijd aan voor het veenbedrijf. Turf werd een felbegeerde brandstof. Alle veenplaatsen die nog niet in vervening waren werden toen aangepakt. Waar persturf gemaakt kon worden werd er soms in één campagne drie veenputten afgegraven wanneer het weer meewerkte.

Werkvolk was er wel te krijgen omdat men dan vrijstelling kreeg voor uitzending naar Duitsland. Deze opleving van het veenbedrijf duurde tot de 50-er jaren, toen was het veen op. Een tijdlang was het verzamelen van bentwortels een goedbetaalde bezigheid. Deze wortels werden opgekocht en elders verwerkt tot surrogaatbezems, een echt oorlogsproduct.

Altijd hadden er wel mensen van hier in Duitsland gewerkt. Maar het werd er niet beter op toen men gedwongen moest werken in Duitse steden in oorlogstijd. Velen ontsnapten hieraan door bij boeren of verveners aan de nabije overkant te gaan werken. Anderen doken onder. Drie inwoners van hier verloren het leven door bombardementen of ongelukken in Duitsland; B.H.Schulte, J.H.Berken en J.Jeuring.

De jongemannen van de jaargang 1924 moesten in 1943 naar Hamburg. Ze troffen het daar heel slecht met een groot bombardement. Drie van hen gelukte het om tamelijk gauw terug te komen. De overigen kwamen na de oorlog behouden terug.

Het overvliegen van massa's geallieerde vliegtuigen leverde soms een fantastisch gezicht op, evenals het afweervuur van Duitse steden in het noordoosten dat soms op een heldere avond te zien was.

Enkele vliegtuigen waren al eerder in de buurt neergestort, toen op de avond van 14 januari 1944 een bombardementsvliegtuig hier in het veld neerstortte. Het kwam neer tegenover plaats 38, westelijk van de Runde. De zes inzittenden vonden de dood en werden begraven te Nieuw-Dordrecht. Een paar keer werd er door vliegtuigen in nood bommen afgeworpen, zonder veel schade aan te richten.

Op het eind van de oorlog veroorzaakten geallieerde jagers nog eens schrik door te schieten op enkele turfschepen die hier lagen. De schade viel mee, er werd wel een geit gedood.

Voor het bezorgen van levensmiddelenbonnen voor onderduikers en het verspreiden van illegale blaadjes maakten zich vooral verdienstelijk Klaas Spreen, hoofd der openbare school en S. Veldman, onderwijzer aan de Katholieke School.

Het aantal onderduikers wisselde nogal. Vaak wist men zich weer legaal te maken door vlak over de grens te gaan werken. Vooral bewoners van de Berkenrode hebben nogal eens onderduikers geholpen. Twee bewoners daar zijn nog eens in gevaar geweest toen in Emmer-Compas het joodse gezin Kropveld opgepakt was. Door mishandeling gedwongen bekende een zoontje van Kropveld dat zij in de Berkenrode geholpen waren door twee mensen vandaar. Die twee werden toen ook meegenomen, doch kwamen enkele dagen later weer vrij omdat ze aannemelijk konden maken dat zij hadden geholpen uit armoede.

Zoals overal waren er hier al voor de oorlog enkele N.S.B.-ers. Het waren er niet veel als men bedenkt dat de meerderheid van de bevolking van Duitse oorsprong was. Een ander partijtje, de N.S.N.A.P., die voor aansluiting bij Duitsland was, had een beetje meer aanhang. Ze waren vooral te vinden in de z.o.-hoek van B.C. Toen de Duitsers hier goed en wel waren staken ze zich in het bruine uniform en roerden zich nogal. Dit partijtje werd later door de Duitsers opgeheven.

Bij de S.S. gingen van hier 8 - 10 jongemannen. Twee van hen sneuvelden, een andere werd later doodgeschoten bij een ontvluchtingspoging uit Westerbork. Toen de landwacht werd opgericht waren er hier ook mensen voor. Kommandant Hendrik Springer en een drietal andere landwachters maakten hier en de omgeving voor de gewone mensen het leven onveilig. Na de oorlog hebben ze enkele jaren geboet voor hun gedrag.

Rijksduitsers moesten dienst nemen in het Duitse leger. De gezinnen Poker en Bernsen werden na de oorlog het land uitgezet omdat ze zich te enthousiast voor de Duitse zaak hadden ingezet. De gebroeders Bürmann deden het beter. Na hun gedwongen opleiding in de Wehrmacht doken ze onder. In de bevrijdingsdagen werden ze feestelijk ingehaald.

Tot de slachtoffers van de bezetters behoorden ook J. Trip en H. de Vries uit Tuindorp. Na de inval in Rusland werden ze opgepakt omdat ze als communist bekend stonden. Ze stierven in een concentratiekamp.
Noot PB: Hendrik de Vries +02-05-1942 Hamburg-Neuengamme, Johannes Trip +28-07-1942 Dachau Bron: Drenlias

Slachtoffer werd ook de oud-compascumer Jan D.F.Brijan, zij het om andere redenen. Brijan, die in Emmen woonde, schijnt privé aan verzet te hebben gedaan. Hij hoorde tot de gefusilleerden van de Woeste Hoeve op 8 maart 1945. Meer info...

Aan de oproep om kinderen uit het westen van het land te helpen, werd gehoor gegeven. In de herfst van 44 werd hier een aantal kinderen geplaatst en verdeeld over de gezinnen. Van de kinderen kwamen een 35-tal uit Haarlem. In de zomer van 1945 vertrokken ze weer.

In februari 1943 werd de klok van de Hervormde kerk geroofd door de Duitsers, de klok van de Katholieke kerk liet men ongemoeid omdat ze te klein was.

Het einde van de oorlog was in zicht. Op dinsdag 3 april 45 kwam hier 's morgens een 20-tal Duitse soldaten aan met paarden en wagens. Het waren oudgedienden die geen haast meer hadden. Ze verdeelden zich over drie boerderijen en stalden daar hun spul. Ze hadden 's nachts gereisd omdat ze erg bang waren voor vliegtuigen. Te eten hadden ze weinig anders dan oudbakken brood en margarine waar groene strepen doorliepen. Toen ze uitgeslapen waren in het stro op de deel gingen er een paar met een radio naar smid Pragt, omdat die nog electriciteit had. Ze wilden weten hoever de Tommies hier nog vandaan waren.

De meesten zouden hier liever zijn gebleven, maar woensdagmiddag kregen toch de plichtsgetrouwen de overhand. De luitenant besloot toen om de volgende dag te vertrekken. Donderdag werd er tegen de middag opgebroken en vertrokken ze in noordelijke richting. Later ging het gerucht dat ze nog betrokken zijn geweest bij gevechten in Westerwolde.

Diezelfde donderdag 5 april ging 's avonds het bericht rond dat de Canadezen al in Hebelermeer waren. Vrijdagmorgen gingen er veel Compascumers kijken. Van elk huis hing daar de witte vlag en de grensovergang was verlaten. Gelukkig waren ze zaterdagmiddag niet in Hebelermeer. Toen was daar een schotenwisseling doordat er een paar S.S.-ers waren opgedoken. Er brandde een schuur af, maar daarmee was het ook afgelopen.

Dinsdag 10 april vochten de Polen zich naar Emmen, waarbij in Noord Barge nogal wat boerderijen in vlammen opgingen. De volgende morgen trokken ze via Emmercompascuum naar Ter Apel, en verder.

Die Woensdag 11 april en de volgende dagen werd hier de bevrijding gevierd.

Laatste wijziging: 30-04-2016
© Creative Commons Naamsvermelding "Collectie Broer Berens", Niet-commercieel, Gelijk delen